P.F. Thomése

P.F. Thomése schreef roman over in Groningen geboren heldin Etta Palm

‘Consequente mensen zijn machines’

Al in zijn eerste boek, de met de AKO Literatuur Prijs bekroonde verhalenbundel ‘Zuidland’ uit 1990, beschreef P.F. Thomése de lotsbestemmingen van vergeten figuren uit de vaderlandse geschiedenis. Met zijn nieuwe roman ‘Het zesde bedrijf’ heeft hij die lijn voortgezet. Centraal staat de in Groningen geboren Etta Palm, alias barones d’Aelders (1743-1799), die ondanks haar avontuurlijke leven haar naam niet in de geschiedenisboeken wist te plaatsen. Ze groeide op in een sober milieu, trouwde, scheidde en zocht het bruisende leven op in Parijs, waar ze aan de vooravond van de Franse revolutie carrière maakte als maîtresse in de hofkringen van Versailles. En ook ontpopte ze zich al snel tot dubbelspionne in het diplomatieke verkeer tussen Frankrijk, de Nederlandse Republiek en het militante Pruisen. Was deze Palm eigenlijk een heldin? Thomése: ,,Uit het beest in de mens stijgen kwalijke dampen op. En als romanschrijver wil je natuurlijk vooral dát wezen naar voren halen.’’

Haar vader was corsettenmaker in Groningen en werkte daarna in de ‘stadsbank van lening’, in de Poelestraat. Meneer Aelders was geen belangrijk man, maar een doorsnee burger. Haar moeder kwam uit een iets beter gesitueerde familie, had bijvoorbeeld een neef die deel uitmaakte van de Staten-Generaal van Groningen. Vooral door toedoen van haar moeder genoot de kleine Etta een keurige meisjesopvoeding, met pianospel en danslessen. Ook kwam ze al op jonge leeftijd in aanraking met de Franse taal. Over haar jonge jaren is evenwel niet veel meer bekend. Ze zou op haar twintigste een verhouding hebben gehad met de postmeester van Groningen, die een jaar of vijftig was. Daarna trouwde ze met een suffe rechtenstudent. Etta kreeg een kind, maar dat stierf al na een paar maanden. En toen is ze er vandoor gegaan met ene Munniks, een avonturier en oplichter, naar Sicilië.

 Vanaf dat moment is er een tijd niets over Etta Palm bekend. Haar naam duikt pas weer op in Parijs, waar voor haar het leven begon dat Thomése in zijn roman heeft beschreven. Hij koos ervoor om slechts een paar maanden uit het leven van Etta Palm naar voren te halen, in het jaar 1792. Thomése: ,,Dat jaar was een breekpunt. In 1792 brak een oorlog uit en het is het laatste jaar geweest voor de terreur. De kop van de Franse koning rolde in januari 1793. Daar weet Etta in mijn roman dus nog niets van.’’ In 1792 belandde Etta Palm na een verblijf van twintig jaar in Frankrijk weer in Nederland, en Thomése is ervan overtuigd dat haar hoofd in Frankrijk eveneens had gerold: ,,Zij had veel contacten binnen de Girondijnse kringen. En die Girondijnen zijn in de loop van 1793 stuk voor stuk onder de guillotine geplaatst.’’

 Dat Etta Palm in 1792 haar vaderland voor een groot deel was vergeten, mag blijken uit het feit dat ze in Het zesde bedrijf per ongeluk Gronings begint te praten na haar aankomst in de Nederlandse Republiek. ,,Men praatte in die tijd alleen maar in dialect, Nederlands werd nauwelijks gesproken. En in de hogere kringen was het de gewoonte om zich in het Frans uit te drukken. In Maastricht gebeurde dat nog tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog.’’ Over de jeugd van Etta Palm krijgen we overigens in Het zesde bedrijf weinig te lezen. ,,Ik geloof niet dat je iemand uit een reeks gebeurtenissen kunt verklaren’’, is de opvatting van Thomése. ,,De provinciale achtergrond van Etta Palm wilde ik dus niet te duidelijk op de voorgrond plaatsen. En ik heb geen ‘Bildungsroman’ willen maken. Causale psychologie houdt geen rekening met andere factoren. Ik denk dat je iemands gedrag niet kunt verklaren door te kijken naar de gezinssituatie van vroeger.’’

 Al voor zijn debuut Zuidland had Thomése het plan opgevat om het leven van Etta Palm te beschrijven. ,,Ik verzamel allerlei papiertjes waarop ik mijn ideeën bewaar. Het was aanvankelijk mijn bedoeling over haar een verhaal of een novelle te maken. Maar toen ik veel over de Franse revolutie las, zag ik een roman naar voren komen. Want het was een grote wereld waarin zij zich bevond. En het zou zonde zijn wanneer je over die wereld alleen maar een verhaal schrijft.’’ Het schrijfwerk verrichtte hij in slechts een jaar. ,,Dat had natuurlijk niet gekund wanneer ik in de jaren daarvoor niet allerlei materiaal had verzameld. Maar zo werk ik nu eenmaal. Ik loop een tijd rond met het verhaal en de personages in mijn hoofd. Die moeten eerst voor mij gaan leven. En als ik daarna eenmaal aan het schrijven ben, gaat het redelijk snel. De beste zinnen komen dan als vanzelf. Ik geloof niet in dingen als de muze die de schrijver kust, of het heilig vuur dat eerst moet branden. De Franse auteur Gustave Flaubert zei het al: een schrijver moet gewoon gaan zitten schrijven.’’

 Over Etta Palm was niet veel materiaal voorhanden. Uit 1962 dateert de monografie Etta Palm, een Hollandse Parisienne van H. Hardenberg, de toenmalige rijksarchivaris in Den Haag. ,,Een oubollig boekje, geschreven met afkeuring over een stuurloos vrouwtje.’’ Om zich voor het schrijfwerk voor te bereiden, las Thomése allerlei brieven en documenten uit de periode van vlak voor de Franse revolutie. Ook verbleef hij een maand in Parijs (,,om dingen die ik had gelezen te kunnen visualiseren’’) en las hij zoveel mogelijk over het leven van vrouwen uit die tijd: ,,Het viel niet mee om een beeld te krijgen over de manier waarop vrouwen toen leefden. Dat soort dingen behoort bepaald niet tot de officiële geschiedschrijving. Zeker als je de Franse revolutie bestudeert, kom je alleen maar mannen tegen. Ik vond het verder frappant dat verder alles over Etta Palm in het Frans geschreven is. In Nederlandse studies duikt haar naam niet op. Zij zettte zich in voor de burgerrechten van vrouwen. En dat ze uiteindelijk niets heeft bereikt, is voor de Nederlandse geschiedschrijvers blijkbaar de reden geweest om haar niet te noemen. Dat geldt ook voor de vrouwenstudies. Iemand als Aletta Jacobs heeft veel aandacht gekregen, maar haar leven zag er heel wat minder spectaculair uit dan dat van Etta Palm.’’

 Wat fascineerde Thomése het meest aan die Etta Palm? ,,Ik probeer altijd mijn historische personages uit het obscure gebied te halen. Ik heb dan ook nooit de behoefte gehad om het leven van Napoleon te beschrijven, of een roman te maken over Robespierre. De geschiedenis van Etta Palm frappeerde mij. Het is opmerkelijk dat ze zoveel belangen en idealen kon verenigen. Ze spioneerde voor de conservatieve Oranjepartij, maar in Parijs sloot ze zich aan bij een radicale variant van de Jacobijnen. Daarnaast woonde ze al twintig jaar voor het uitbreken van de revolutie in Parijs en had ze op haar rug de klassieke vrouwenloopbaan gevolgd. Als maîtresse met steeds duurdere heren had ze zich langzamerhand opgewerkt tot kringen waarmee je voor de dag kon komen. En daarnaast was ze ook nog eens actief binnen de vrouwenbeweging.’’

 In de roman komt ze inderdaad naar voren als een ‘feministe avant la lettre’. Maar de motieven van Etta Palm zijn maar al te vaak lachwekkend. Ze wordt voornamelijk gedreven door haar zucht naar macht. Is Thomése niet bang ruzie te krijgen met sommige vrouwen? ,,Ik heb mijn roman natuurlijk niet geschreven om ideologisch gezien in de smaak te vallen. Dat feminisme in Nederland van de jaren zestig en zeventig was natuurlijk een soort luxe beweging. Dat speelde zich alleen maar af in een bovenlaag van de samenleving. En de vrouwenbeweging van Etta stak ook zo in elkaar. Zij wilde bijvoorbeeld een soort kostschool voor gevallen vrouwen oprichten. Van vrouwen uit het volk wilde ze dames van maken. Die houding is natuurlijk vrij paternalistisch. En die had het feminisme van onze eeuw natuurlijk ook, die vrouwen gingen alleen maar uit van zichzelf. Een beweging voor ontwikkelde vrouwen. En de andere vrouwen moesten bewust worden gemaakt.’’

 ,,Wat mij ook fascineerde is, dat Palm een vrouw tussen mannen was. Als je bezig bent aan een roman, let je in je eigen omgeving heel goed op om te zien wat bruikbaar is. En ik heb ondervonden dat een vrouw tussen mannen zich heel anders gedraagt dan een vrouw tussen vrouwen. Een vrouw tussen mannen is óf het stralend middelpunt van de aandacht, óf wordt volkomen genegeerd. Dat geldt natuurlijk ook voor een man die tussen vrouwen zit. Vrouwen en mannen kunnen nooit elkaars gelijken zijn. Etta Palm was zich maar al te zeer bewust van de mannenwereld, die wordt gedomineerd door macht. En zij gebruikte vervolgens haar vrouwelijkheid om aan dat machtsspel mee te kunnen doen.’’

 Etta Palm komt in Het zesde bedrijf vooral naar voren als een vat vol tegenstrijdigheden. Ze verzet zich tegen seksuele intimidatie, maar maakt voortdurend gebruik van haar eigen seksualiteit. Ze roept vaak dat ze tegen de oorlog is, terwijl ze uit geldnood wapens wil verhandelen. Ze is voor gelijkheid, maar kijkt neer op de mensen die beneden haar staan. En ze is republikeins, terwijl ze diep in haar hart eigenlijk voor het koningshuis is. Was haar houding eigenlijk niet zeer hypocriet? ,,Haar loyaliteit was ruim’’, geeft Thomése te kennen. ,,In die zin had ze denk ik een modern karakter. Ik ben zelf verpest door de jaren zestig, waarin je óf links óf rechts moest zijn. En die houding heeft mij eigenlijk nooit bevallen. Etta Palm móest zijn zoals ik haar heb beschreven, omdat haar de kansen waren ontnomen om op een normale manier hogerop te komen. Ze kon alleen maar op die manier in het leven staan. Als ze rechtschapen was geweest, was ze getrouwd boven haar stand en had ze een rustig leven geleid. Dan was ze een soort Belle van Zuylen geworden. Die leefde in een mooi slot en was getrouwd met een man van wie ze weinig last had. Zo’n leven spreekt mij veel minder aan. Etta Palm heeft het allemaal zelf moeten doen. En ze kon dus niet anders dan zich overgeven aan bedrog en dubbelspel. Dat ze er uiteindelijk niet in slaagde om het geluk te vinden, onderscheidt haar natuurlijk niet van de meeste mensen.’’

  Maar het beeld dat Etta Palm over zichzelf naar buiten wil brengen, staat in de roman wel erg nadrukkelijk haaks op haar werkelijke motieven. ,,Ja, maar dat heeft te maken met mijn overtuiging wat betreft de mensen in het algemeen. Als je mensen beoordeelt op hun daden krijg je een behoorlijk vertekend beeld. Dan krijg je de formulieren die je invult en die zeggen niet zoveel over hoe iemand de wereld ervaart. Consequente mensen zijn machines. Ik geloof dat de mens uit onverenigbare tegenstrijdigheden is opgebouwd. Naar buiten toe wil iedereen natuurlijk een heldere persoonlijkheid introduceren. Maar die heldere persoonlijkheid bestaat helemaal niet. Als je door de buitenkant van de mens heen kijkt, krijg je te maken met een grote modderpoel. Uit het beest in de mens stijgen kwalijke dampen op. En als romanschrijver wil je natuurlijk vooral dát wezen naar voren halen. En verder geloof ik dat ik nooit personages heb beschreven zonder lachwekkende kanten. Voor pathos ben ik niet gevoelig. Maar het is niet mijn bedoeling geweest dat de lezers Etta Palm uitlachen. Als ik haar in het echt had ontmoet, was ook ik zeer zeker gevoelig geweest voor haar charmes.’’

P.F. Thomése: ‘Het zesde bedrijf’. Uitgeverij Querido, Amsterdam. Prijs: 39,90.

Maandag 31 mei is P.F. Thomése te gast in de Groninger boekhandel Athena’s. Daar wordt hij geïnterviewd en leest hij voor uit ‘Het zesde bedrijf’. Aanvang 19.30 uur.

Fragment uit ‘Het zesde bedrijf’ van P.F. Thomése

Zich benijd en begeerd weten was de grondslag van elke maatschappelijke ambitie – en iets mooiers om naar te streven bestond er niet. In zichzelf de ander vinden, daar ging het om: degene worden die alles bezit wat jij ontbeert, die krijgt wat jou onthouden wordt, die slaagt waar jij tot falen bent gedoemd – die is wat jij zou moeten zijn. Iets kreeg pas waarde wanneer een ander het wilde hebben. Bestaan betekende bestaan in andermans ogen. En die dan uitsteken.

 In de grandioze levens van anderen, daarin had Etta zichzelf gevonden vanaf de eerste dag dat ze in Parijs was aangekomen. Al bijna twintig jaar zag ze zichzelf gloriëren; soms was ze het inderdaad zelf geweest, vaak alleen in haar fantasie. Dan zag ze wat ze wilde zijn in afgunstig verlangen aan zich voorbijgaan en stelde ze zich voor hoe zij had kunnen schitteren – in plaats van die ander. Stukje bij beetje had ze zich toegeëigend wat haar behoorde, ze had gewonnen en verloren, het was niet niets wat ze had bereikt, maar ook niet alles. Steeds was haar ontglipt waar het haar uiteindelijk om ging. Het bleef bij streven en reven. In die zin was Etta tot dusverre altijd bijna degene geweest die ze had horen te zijn.

 Ze was hier in Parijs heus goed terechtgekomen. Van het begin af aan had ze de juiste kringen gevonden. Dat had ze niet durven dromen toen ze destijds uit Groningen vertrok. Eigenlijk meteen al had ze de juiste mensen ontmoet, de juiste mannen. Met dank vooral aan Grovestins, die haar trots aan tout Paris had getoond.

 Wie deed het haar na: binnen twee jaar na haar aankomst had ze een minister van de oude koning aan de haak geslagen, de al even oude Maurepas, en was ze een vaste invitee geworden op de bals in Versailles. Meer dan geld had hij niet te bieden gehad, mooier kon haast niet. Hij was trouwens zelf eerder op geweest dan zijn geld, in die zin had hij nog lang in haar voortgeleefd. Ook omdat ze het Grunnings had beheerd, verstandig dus.

 Maar aan alle geluk komt een eind, en inmiddels waren de zorgeloze jaren van de maintenance voorbij. Ze moest zelf de kost verdienen, geen sinecure voor een Dame die daarin waardig wilde blijven.

 Toch had de gedwongen zelfstandigheid haar een geluk bezorgd dat ze niet had voorzien. Politiek was de kunst van het bedrog en het verraad, en wat lag haar beter? Van een Dame werd niet anders verwacht, in haar onpeilbaarheid school immers haar macht om heren te strikken, te binden. Alleen, nu ze de vrijheid pas proefde, verdroeg ze de tweederangsheid niet meer waartoe ze als vrouw, dat wil zeggen als rechteloze burger, bleef veroordeeld. Wat had haar leven niet kunnen zijn als zij werkelijk kon meespelen op het grote toneel, en niet als souffleuse de clausen mocht oppikken die de grote acteurs lieten liggen. Maar soit, ontevreden was zij niet met haar secrete positie in het diplomatieke verkeer tussen Holland, Frankrijk en Pruisen.

Thomas Verbogt


‘Popmuziek heeft me altijd kunnen troosten.’

De popverhalen van Thomas Verbogt

‘My Generation’ is natuurlijk de titel van het bekende nummer van The Who, maar ook die van het nieuwe boek van Thomas Verbogt. In het boek heeft Verbogt zijn hartstochtelijke liefde voor de popmuziek uit de doeken gedaan. De in 1952 geboren schrijver groeide op met de muziek van de Rolling Stones, The Kinks en The Beatles, bezocht daarna als puber de kelders waar Golden Earrings en Cuby and the Blizzards optraden en draait eigenlijk nog steeds het liefst plaatjes. Zijn ‘My Generation’ is een eigenzinnig portret over een liefde die maar niet voorbij wil gaan.

Door Jacob Moerman

De foto op de voorkant van My Generation spreekt boekdelen. Thomas Verbogt is te zien met een gitaar in zijn handen en lijkt zich te concentreren om een onvergetelijke solo weg te geven. Wie het gelijknamige verhaal evenwel heeft gelezen, weet beter; de schrijver kan helemaal niet spelen, en houdt alleen maar een ‘luchtgitaar’ in zijn handen. Het is het beeld van de volwassen man die het maar niet kan laten om zijn jongensdromen achterna te jagen. Is Verbogt nog steeds iemand die eigenlijk veel liever in een bandje wil spelen? ,, Ja, alsjeblieft, zeg’’, reageert hij onmiddellijk. ,,Die foto is natuurlijk een grapje en het droombeeld van een vijftienjarige, toen ik mee stond te spelen met The Wind cries Mary van Jimi Hendrix. Maar ik wist toen al dat ik nooit met een gitaar op de planken zou belanden.’’

Net zoals in zijn andere werk is de toon in My Generation veelal droog-komisch. ,,Het zijn geen essayistische notities, of zoiets. My Generation is gewoon een boekje van iemand die van popmuziek houdt. De leukste momenten die ik heb gekend, waren die waarop ik met mijn vrienden plaatjes draaide. En ik heb gelukkig nog steeds vrienden die ook zo zijn en met wie ik kan praten over een zojuist aangeschafte plaat. En dan die vreugde van het zoeken in een platenzaak! En vervolgens naar huis fietsen en die plaat draaien! Dat zijn nog steeds zeer mooie momenten die ik voor geen goud zou willen missen.’’

Het is niet voor het eerst dat Verbogt zijn licht heeft laten schijnen op het verschijnsel popmuziek. In de twaalf boeken die hij voor My Generation publiceerde (romans en verhalenbundels) zijn de personages opvallend vaak aanwezig op feestjes en culturele bijeenkomsten, waar men elkaar niet zelden uiteindelijk stomdronken in de armen valt om op bekende hits uit de jaren zestig en zeventig enige bewegingen te maakt die met elkaar een dans moeten verbeelden. Zijn laatste roman De verdwijning speelt zich af in een kleine stad die verdacht veel lijkt op Arnhem. Vreemd is dit niet, omdat Verbogt een belangrijk deel woonde in de Gelderse hoofdstad. In zijn verhalenbundel Gebroken glimlach komt de plaats naar voren in Arnhem rock, een verhaal over zijn buurman van weleer die ooit de leider was van de band Hank the Knife and the Jets. Het verhaal, waarin Verbogt samen met de stoere rocker een show van Vader Abraham bezoekt, is eveneens opgenomen in My Generation en eigenlijk te mooi om waar te zijn. ,,Soms maak je dingen mee die je vervolgens alleen maar hoeft op te schrijven. Ik kende Hank the Knife and the Jets al van een optreden in het televisieprogramma Het gat van Nederland, en dat zag er ongelooflijk angstaanjagend uit. En toen ik van Nijmegen naar Arnhem verhuisde, werd hij mijn buurman. Vreemd genoeg bleek die man de zachtaardigheid zelve te zijn.’’

Het zijn geen grote popgoden die in My Generation worden bezongen. Behalve Hank the Knife komen onder anderen The Sweet-zanger Brian Connolly en Arnie Treffers, alias Long Tall Ernie, in de bundel naar voren. ,,Ik had natuurlijk ook over Janis Joplin kunnen schrijven, maar dat is al vaker gedaan. Mijn interesse gaat uit naar groepen en artiesten die altijd aan de rand hebben gestaan. De groep The Sweet weten weinig mensen zich nu nog te herinneren. De notie dat die band het niet zou redden, had ik al vanaf het begin en om die reden ben ik het leven van die zanger blijven volgen.’’ Dat leven wordt gekenmerkt door een flinke hoeveelheid ellende; Brian Connolly overleed drie jaar geleden, nadat hij lange tijd een zware alcoholist was geweest. Triest waren ook de nadagen van Townes van Zandt, van wie Verbogt een van zijn laatste concerten bijwoonde, samen met zo’n dertig anderen. ,,Uit zo’n einde blijkt de andere kant van de roem en, nou ja, die fascineert me. Toen ik naar mijn eerste plaatjes luisterde, was ik een jongen die gewoon in een nieuwbouwwijk in Nijmegen woonde en braaf naar school ging. Ik schreef toen al verhalen en bouwde een verzonnen wereld om me heen. En het klinkt misschien beladen, maar die muziek heeft me altijd kunnen troosten.’’

,,Ik heb nog steeds met sommige vrienden een zeer eigenaardig contact. We kunnen urenlang over een nummer van The Outsiders praten, of over de vreemde stem van de zanger van The Shoes. Dat heeft niks met een oude lullen-mentaliteit te maken. Het is gewoon fun.’’

Thomas Verbogt: ‘My Generation’. Uitgeverij Veen, Amsterdam. Prijs: 24,90.

Leo Vroman

Leo Vroman: ,,Het schrijven van een gedicht is naaktlopen met je hersens''

Een Hollands eiland in New York

Leo en Tineke Vroman wonen bijna vijftig jaar in de Verenigde Staten, maar hun bescheiding woning in de Newyorkse wijk Brooklyn had ook in Nederland kunnen staan. Tekeningen en schilderijen met Nederlandse namen eronder verraden hun afkomst, evenals de titels van de boeken en tijdschriften in de wandkast. De wetenschappelijke loopbaan van Leo Vroman als bioloog loopt ten einde, maar zijn po‰ezie bloeit als nooit tevoren. Afgelopen maand verscheen een nieuwe bundel, van maar liefst 160 pagina's: 'Psalmen en andere gedichten'. ,,In gedichten geef je jezelf bloot. Poëzie is zo ontzettend eerlijk. Zó eerlijk dat ik er soms een beetje bang van word.''

,,Ik ben eigenlijk niet zo dol op gedichten'', laat Leo Vroman (80) al na tien minuten weten. Doelt hij op het lezen of op het schrijven? ,,De hele boel. Maar gedichten zijn bij mij soms onvermijdelijk. Ik heb in de jaren zeventig wel eens overwogen om te stoppen met het schrijven van poëzie in het Nederlands. Er zijn in Holland immers al zoveel dichters die waarschijnlijk beter en zeker jonger zijn dan ik.''

 Het is verstandig om veel woorden van Leo Vroman zo nu en dan met een korreltje zout te nemen. 'Komt u nu nog wel langs?', had hij gevraagd, nadat ik telefonisch had laten weten dat we in Brooklyn waren verdwaald en pas iets later konden komen. Het was zacht gezegd een vreemde vraag aan iemand die er aardig wat uurtjes in het vliegtuig op had zitten. Kort daarna begreep ik dat Vroman de opmerking ironisch had bedoeld. Een opvallend trekje van iemand die misschien wel de meest eerlijke Nederlandse poëzie van na de oorlog heeft geschreven.

 Meteen na de oorlog ging Leo Vroman in de Verenigde Staten wonen, waar hij zijn loopbaan als bioloog voortzette. Hij specialiseerde zich steeds meer in de stollingsmechanismen van het menselijk bloed. Over al zijn strubbelingen met de wetenschap publiceerde hij het twee jaar geleden verschenen Warm, Rood, Nat & Lief. Op dit moment gaat hij nog steeds een keer per week naar de universiteit. ,,Ik heb zojuist een grant ingeleverd, een aanvraag voor een nieuwe opdracht. Dat zal een opdracht voor twee jaar worden, dus dan ben ik ongeveer 85 wanneer ik klaar ben. Tenzij er verlenging wordt aangevraagd. En stel je voor dat ik iets bijzonders ontdek. Meestal duurt het vijftien jaar voordat een ontdekking wordt erkend. Dan ben ik honderd.''

 Wetenschap en po‰ezie, Leo Vroman heeft altijd de beide takken kunnen beoefenen. ,,Wat er waarschijnlijk achter zit, is de behoefte om te begrijpen waarom je bestaat. Ik beweer graag dat ik een gedicht eigenlijk niet maak, ik schrijf gewoon op wat er al is. En hoe het gedicht ontstaat, dat weet ik dus niet. Wél kan ik zeggen dat het maken van een gedicht wordt beïnvloed door het schrijven zelf. De regels leiden ergens toe, dus je zou kunnen zeggen dat het gedicht zichzelf schrijft. En dat is vergelijkbaar met het doen van wetenschappelijke proeven. Wanneer het allemaal goed gaat, dan zal de natuur je wel vertellen wat er aan de hand is. De enige goede ogenblikken zijn die waarin je iets vindt wat je niet had verwacht.''

 Waarom ligt de woning bezaaid met Nederlandse tijdschriften? Heeft dat te maken met het onderhouden van het contact met Nederland? En is dat ook de reden waarom Leo Vroman zoveel Nederlandse gedichten schrijft? ,,Bij mij is meer sprake van de liefde voor de taal, dan de angst om het contact met Nederland te verliezen. Regelmatig komen mensen uit Nederland bij ons over de vloer, of mensen bellen op. En we zijn vaak nog in Nederland. In juni gaan we weer naar het festival Poetry International in Rotterdam.''

 Echtgenote Tineke Vroman zit soms even aan tafel om deel te nemen aan het gesprek. ,,Ik herinner me de periode dat onze kinderen klein waren'', vertelt ze. ,,Ik vond het vreselijk moeilijk om Engels tegen ze te praten. En de mogelijkheid om op zo'n moment Nederlands te gebruiken, geeft een gevoel dat te maken heeft met het hebben van een eigen geschiedenis. Dus de band met het Nederlands is natuurlijk erg sterk, en die is vooral aanwezig wanneer Leo gedichten schrijft. Wanneer je bijvoorbeeld het woord 'koe' zegt, klinkt dat heel anders dan het woord 'cow'.''

 Is Leo Vroman iedere dag bezig met het schrijven van gedichten? De nieuwe bundel telt per slot van rekening maar liefst 160 pagina's. Leo: ,,Nou nee, niet iedere dag.''

 Tineke: ,,Soms weken niet, maar soms zijn er ook weken dat Leo iedere dag werkt, hoor.''

 Leo: ,,Ja, ja, gevaarlijk. Ik kom er wel overheen, op den duur.''

 Tineke: ,,Leo schrijft alleen maar 's nachts omdat hij lijdt aan slapeloosheid.''

 Leo: ,,Zie je wel, het gaat nog wel eens over.''

 Tijdens de luxe broodmaaltijd waarmee we werden verwelkomd werd al duidelijk dat Leo en Tineke met elkaar praten op een manier die door velen als 'kissebissen' wordt omschreven.

 Leo: ,,Dat is toch leuk.''

 Tineke: ,,Het is geen ruzie of zoiets, we discussiëren gewoon. We hebben vroeger samengewerkt, en eerlijk gezegd vond ik dat niet erg prettig. Maar we staan wat onze opleidingen betreft toch wel dicht genoeg bij elkaar, zodat we op dezelfde golflengte zitten. En daarbij komt natuurlijk dat we met onze manier van praten elkaar scherp houden. Er is geen sprake van toeval of opzet. Zo gaan we gewoon met elkaar om. En we zijn beiden nog erg actief.''

 Leo: ,,Tineke werkt met mensen met hersenbeschadigingen. Voor haar proefschrift had ze veelal te maken met mensen die een beroerte hadden gehad.''

 Wat vooral opvalt aan Warm, Rood, Nat & Lief is de enthousiaste toon. Vond Leo Vroman zijn wetenschappelijke avonturen nu echt zo leuk, of is het onverzettelijke optimisme gewoon een onderdeel van zijn natuur?

 Leo: ,,Toen Tineke mij leerde kennen, was ik een vreselijk mager en somber jongetje. Een beetje ziekachtig ook. Maar dat deed ik eigenlijk alleen maar om interessant te zijn.''

 Tineke: ,,Ik was op een leeftijd dat ik die serieusheid heel belangrijk vond. Maar toen we eenmaal getrouwd waren, merkte ik tot mijn grote opluchting dat hij eigenlijk een heel vrolijke man was.''

 In mei 1940 vluchtte Leo Vroman naar Engeland, waarna hij zich inscheepte voor een reis naar Indië. Daar kwam hij terecht in een Japans krijgsgevangenenkamp. Heeft zijn optimisme misschien veel met de oorlog te maken?

 Leo: ,,Ja, ik denk van wel. Je weet dat je met verschrikkelijk weinig kan blijven leven. Ik had een tandenborstel, een stukje papier, een potloodje, en ik schreef.''

 Tineke: ,,Toen ik hem leerde kennen, voor de oorlog, was hij echt bang om dood te gaan. Maar in het kamp is hij twee keer bijna gestorven. En daarna ben je blijkbaar niet meer bang. De meeste mensen zijn niet zozeer bang om dood te zijn, maar om dood te gaan. En Leo heeft dat laatste al twee keer meegemaakt, bijna.''

 Op zijn eigen verzoek haalt Leo Vroman het dagboek uit de kast, dat hij tijdens zijn periode in de verschillende Japanse kampen met veel moeite bij wist te houden. Enige pagina's uit dit 'kampdagboek' werden gepubliceerd in het in 1990 verschenen Schrijversprentenboek Het Vromaneffect, over zijn leven en zijn werk. Het is evenwel opvallend dat hij na de oorlog zeer weinig over zijn kampervaringen heeft geschreven. ,,Nee, dat wordt door andere mensen al gedaan. Als ik erover zou willen schrijven, zou ik het allemaal weer moeten opzoeken. Over het algemeen houd ik er niet van om een boodschap in een boek te stoppen. En als je over krijgsgevangenschap gaat schrijven, is er snel sprake van een onbedoelde boodschap. Hoe je de gebeurtenissen ook beschrijft, per ongeluk maak je de oorlog altijd romantisch. Maar de verveling kun je niet weergeven, evenals de lange tijden waarin niets gebeurt. Je zou eigenlijk een boek z&Mac226;o moeten schrijven dat het lezen ervan minstens net zo lang duurt als de gebeurtenissen z&Mac226;elf. Daarnaast heb ik vaak meegemaakt dat mensen die in een concentratiekamp hebben gezeten opscheppen over hoe erg het was. Mensen die neerkijken op anderen die in een minder erg kamp hebben gezeten. Ik heb er gelukkig niet veel last van... Ik droom er nog wel eens van. Niet van een specifiek kamp, maar van een gevoel dat ik ergens niet aan kan ontsnappen. Dat ik niet weg mag. En ik stel me wel eens voor dat de bevrijding niet heeft plaatsgevonden en dat ik straks wakker word in Osaka en nog steeds een krijgsgevangene ben.''

 In zijn laatste dichtbundel komt het schrijven van poëzie heel duidelijk als thema naar voren. ,,Dat onderwerp heeft mij altijd geboeid. Het doet me denken aan 'negative staining', dat je iets niet kunt kleuren maar de achtergrond wel. En daardoor krijgt dat 'iets' toch vorm. Woorden zijn de 'negative staining' van de gedachte. Ze pakken zich er samen om heen. Op die manier kun je proberen te laten zien wat de gedachte is. En verder fascineert de vraag mij waarom bepaalde worden worden gekozen. Tijdens het schrijven vallen veel woorden die in je opkomen af. Wat overblijft is een zwakke weerspiegeling van wat in je hersens is gebeurd. Een van mijn dromen is nog steeds om, als ik eenmaal groot ben, een dik en modern boek te schrijven over de werking van de hersenen. Hoe die werken is natuurlijk vreselijk ingewikkeld. En bovendien weten we er nog maar ontzettend weinig over. Daarom is poëzie misschien wel zo eerlijk. Het schrijven van een gedicht is in feite naaktlopen met je hersens. Poëzie is z&Mac226;o individueel, dat het daarom belangrijk is dat anderen er kennis van nemen. Ik voel het bijna als een verplichting om mijn lezers te laten weten wat mij ertoe brengt om die gedichten te schrijven.''

 Wordt de poëzie van Leo Vroman over pakweg honderd jaar nog gelezen? ,,Ik neem aan dat ik over vijf of tien jaar word vergeten en over ongeveer honderd jaar word herontdekt. En vervolgens word ik weer vergeten. En kort daarna vergaat de wereld. Ik zou me dus kunnen afvragen waarom ik gedichten schrijf, maar met die vraag hou ik me niet bezig. Ik doe iets om te doen.''

 ,,Ik heb een heel onduidelijk beeld over het idee van het nabestaan. Het is logisch dat een mens na de dood, als er dan nog iets bestaat, niet meer in aardse termen denkt. Dus in hoeverre iemand voortleeft na de dood, is dan totaal onbelangrijk. En ach, het idee dat je kunt voortbestaan in de poëzie is natuurlijk wel grappig. Dat ik kan zeggen: over honderd jaar komt mijn naam nog ergens voor. Een dergelijk gevoel heb ik ook wel wanneer een nieuwe bundel van mij verschijnt, in duizend exemplaren. Het besef dat ze niet allemaal zullen vergaan.''

PSALM XI

Systeem! Graag word ik niemendal

zodra ik groter ben

en halverwege mijn verval

verliefd word op Uw zoet Heelal

zodra ik het herken.

Maar nu ben ik nog maar een ding

denkend van grens tot grens

dat deze zelfgetogen kring

vervlogen vol herinnering

ik heet, en nu nog Mens,

dan slechts een boek, is dat een man?

Neen, minder dan een dier

drogend zoals geen preek dat kan;

en daar nog maar de woorden van;

en daarvan het papier.

(Uit: 'Psalmen en andere gedichten')

Hans Warren

,,Ik zie mensen graag zoals ze zijn''

Hans Warren, 75 jaar

Hans Warren: dichter, schrijver, recensent, bloemlezer en vertaler. Bekend werd hij vooral door zijn 'Geheim dagboek', waarvan tot nu toe twaalf delen werden gepubliceerd. De recensies die hij schrijft uit naam van de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) zijn regelmatig ook in deze krant te lezen. Volgende week, 20 oktober, wordt hij 75. Om zijn verjaardag te vieren bracht zijn uitgeverij vorige week Ik ging naar de Noordnol op de markt, een 'natuurdagboek' uit de periode 1936-1942. Bovendien is het 45 jaar geleden dat hij zijn eerste recensie voor de PZC schreef en verscheen 50 jaar geleden zijn eerste dichtbundel. Tijd voor een jubileumfeest? ,,Op mijn verjaardag ben ik in ieder geval niet thuis, want ik hou niet zo van feesten.''

Door Jacob Moerman

,,Ik leef met literatuur'', laat Hans Warren weten in de werkkamer van zijn woning in het Zeeuwse Kloetinge, vlakbij Goes. ,,Buiten ben ik niet meer zo vaak. Soms ga ik naar een tentoonstelling. Ik vind het wel prettig, zo. Bovendien is het aangenaam dat je na je 65ste gewoon door kunt blijven werken. Als je hersens goed blijven, kun je op latere leeftijd je beste stukken schrijven.''

Iedereen die delen van zijn dagboek heeft gelezen, weet dat Hans Warren een bewogen leven achter de rug heeft. Hij trouwde op jonge leeftijd, kreeg drie kinderen, en kwam pas in 1975 openlijk uit voor zijn homoseksualiteit. In 1978 leerde hij zijn levenspartner Mario Molegraaf kennen.

Zijn 75ste verjaardag werd vreemd genoeg vorige maand al gevierd in de Zeeuwse Bibliotheek, waar momenteel een expositie over zijn leven en werk is te bezichtigen. De festiviteiten van zijn uitgeverij en krant moeten nog komen. Warren: ,,Ik vind het wel een beetje jammer dat alles nu zo versnipperd is. Als ze de koppen bij elkaar hadden gestoken, had mijn verjaardag in &Mac226;e&Mac226;en keer kunnen worden gevierd. Mijn uitgeverij had me een ontvangst aan willen bieden, maar daar voel ik me toch iets te oud voor. In die herrie voel ik me nooit erg plezierig, dus Mario en ik gaan nu met een heel klein gezelschap uit eten. En wat de krant voor mij in petto heeft, mag ik nog niet weten.''

En hoe is het om 75 te worden? ,,Ik weet al tientallen jaren dat ik niet meer hard hoef te lopen om de trein te halen, want die haal ik niet. Maar voor de rest verandert er niet zoveel. Het klinkt misschien lullig, maar als je verstand goed blijft, is ouder worden eigenlijk helemaal niet erg. Er komt een soort rijkdom die heel plezierig is. En het is soms verbijsterend om te merken hoe het geheugen werkt. Door één woord kunnen weer allerlei herinneringen naar boven komen. Ook dromen kunnen heel sterk zijn. Mensen die je ooit gekend hebt en die je je absoluut niet voor de geest kunt halen, kun je opeens in een droom weer helemaal voor je zien.''

Het Geheim dagboek vloeide voort uit het natuurdagboek waar hij als jongen aan werkte. Op zijn zestiende begon Warren met het maken van notities over de vogels die hij zag. Langzamerhand ging hij ook over andere dingen schrijven. ,,En op 10 mei 1940 was het natuurlijk heel moeilijk om het alleen nog maar over vogels te hebben. De dag begon per slot van rekening heel anders. Maar ik vond dat die gebeurtenissen niet in een natuurdagboek pasten, dus schreef ik alleen heel af en toe over andere zaken. In 1942 ben ik begonnen om een tweede, persoonlijker dagboek bij te houden. Ik wilde absoluut niet dat iemand anders die aantekeningen zou lezen. Op den duur werd het een verslaving om aan dat dagboek te werken. Bovendien maakte ik kennis met dagboeken van anderen, zoals Julien Green en André Gide. Toen ontdekte ik dat het bijhouden van een persoonlijk dagboek mijn taak als schrijver was. En wat voor mij nu belangrijker is, mijn gedichten of mijn dagboek, dat zou ik echt niet kunnen zeggen.''

Als lezer van de dagboeken word je maar al te vaak in de positie van de voyeur geplaatst; iemand die toekijkt hoe bijvoorbeeld Warren zijn seksuele fantasieën in Parijs, waar hij enige tijd heeft gewoond, in de praktijk brengt. Dat voyeurisme vindt Warren geen slechte eigenschap. ,,De dagboeken van een nette meneer vind ik snel saai. Wat iemand in zijn bed heeft uitgespookt zijn voor mij veel interessanter dan een opsomming van de boeken die iemand heeft gelezen. Daar kan ik niets aan doen. Ik kan ook niet tegen mensen die zichzelf zo fraai mogelijk proberen te afficheren. Ik zie mensen graag zoals ze zijn.''

Uit Nederland is het meest bekende dagboek van de wereld afkomstig: Het achterhuis van Anne Frank. En de man die zegt dat hij de meeste dagboekbladen heeft geschreven, is eveneens een Nederlander: Willem Oltmans. Warren: ,,Anne Frank is natuurlijk een uitzondering. Een jong meisje dat zo'n geweldig talent had... Het is volkomen terecht dat haar dagboek het meest bekend is. En Willem Oltmans... Ik heb de eer gehad om een keer in zo'n dagboek van hem te kunnen kijken. Tja, ik weet niet wat hij onder een dagboek verstaat. Maar wat ik toen in de hand had, was een soort plakboek. Het bestond uit stukken uit kranten en tijdschriften, waartussen hij allerlei dingen had geschreven. Als ik dergelijke dingen óók in mijn dagboek had geplakt, was het waarschijnlijk wel drie keer zo dik geworden. Ik vind Oltmans een bijzonder interessante kerel en ik mag hem graag, maar ik betwijfel of het waar is wat hij over zijn dagboek zegt.''

Duizenden en duizenden recensies en artikelen over literatuur heeft Warren de afgelopen decennia geschreven. In 1951 werd hij benaderd door G. Balintijn, hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant, om een wekelijkse letterkundige kroniek te verzorgen. Is er nu sprake van een jubileum? ,,Ik schreef al eerder recensies voor Vrije Stemmen. Dat was na de oorlog de eerste krant in Zeeland. Ik weet niet meer precies wanneer ik daarin mijn eerste stuk publiceerde. Wilt u het weten? Zal ik Mario dan even roepen? Hij heeft lijsten gemaakt van al mijn werken.'' Even later komt Mario Molegraaf met een stapeltje Vrije Stemmen de kamer binnen. Hij pakt het bovenste exemplaar - een krant telde toen zo'n acht pagina's - en begint te zoeken. Molegraaf: ,,Even kijken... Waarschijnlijk was het 2 maart 1946. Hier, een stukje over het gedicht De Soldaat van Rupert Brooke.'' En dan tegen Hans Warren: ,,Dit had eigenlijk op die tentoonstelling moeten hangen.'' Warren: ,,Ik schrijf dus al meer dan vijftig jaar in de krant over literatuur. Zo hadden we het nog nooit bekeken.'' Molegraaf ontdekt een krant van 9 maart 1946 en begint te citeren: ,,Zoo langzamerhand zijn we overvoerd geraakt met verzetschliteratuur.... Den Duitschen overheerscher... Hans had blijkbaar toen al genoeg van gedichten die over het verzet gaan.'' Warren, lachend: ,,Neem alles nou maar weer snel mee, want ik vind dat oude papier niet om aan te zien.''

Wanneer Molegraaf is vertrokken: ,,Ik heb alle stukken bewaard. In het begin knipte ik ze vaak uit, daarna bewaarde de hele pagina waarop een recensie is geplaatst. Die stopte ik dan in mappen. Maar op een bepaald moment groeide het me boven het hoofd. Ik heb z&Mac226;o verschrikkelijk veel materiaal liggen. Boven bevinden zich vier zolderkamertjes. Vroeger stonden daar bedden, maar nu ligt er van alles en nog wat. Ik bewaar bijvoorbeeld ook boeken waar stukken van of over mij in staan, of boeken waarin ik alleen maar wordt genoemd. Ik heb dus een zo compleet mogelijk archief. Ik weet alleen niet meer precies waar alles ligt. Mario heeft gelukkig een deel geïnventariseerd, maar hij kan natuurlijk niet voortdurend daarmee bezig zijn. Ook heb ik een schat aan brieven verzameld van tal van collega-schrijvers. Het gaat ooit allemaal naar de Zeeuwse Bibliotheek of naar het Letterkundig Museum.''

Over zijn werk voor Vrije Stemmen weet Warren niet veel meer. Sterker zijn de herinneringen aan de eerste stukken die hij voor de Provinciale Zeeuwse Courant schreef: ,,Ik weet nog dat ik in het begin in een recensie niet het woordje 'ik' mocht gebruiken. In plaats daarvan moest ik schrijven over wat 'we' vinden. En je mocht toen ook geen erge woorden gebruiken. Het woord 'hoer' moest worden veranderd in 'prostituée', en daarna werd zelfs dát woord geschrapt. Ook heb ik een keer een recensie geschreven over een boek van Dola de Jong, dat over een lesbische relatie gaat. Toen werd ik op de vingers getikt, want we moesten maar geen aandacht besteden aan 'the lesser ways of love'. Die houding is nu natuurlijk bijna niet meer voor te stellen, alhoewel er nog lange tijd van die fatsoensrakker zijn geweest die zeiden dat er geen plaats voor dergelijke stukken was.''

Wat is de algemene opvatting van Warren over de naoorlogse Nederlandse literatuur? Als een van de weinigen heeft hij per slot van rekening de afgelopen vijftig jaar alles bijgehouden. ,,Ik heb het idee dat kort na de bevrijding de ramen naar de wereld wijder open waren gezet. Door het einde van de oorlog was de blik van de schrijvers verruimd. In de loop van de jaren zijn de ramen weer aardig dicht gegaan. Ondanks alle internationale betrekkingen heerst er nu weer een beperkter sfeertje. Die indruk heb ik en ik kan me natuurlijk vergissen. Maar ik denk dat oorlogen of grote botsingen meer in de mensen losmaken. Dat is natuurlijk verschrikkelijk, maar volgens mij een waarheid als een koe. Ik heb die waarheid proberen te verwoorden in mijn gedicht Ares, dat ik voor het eerst in 1973 publiceerde. Er waren in die tijd sommigen die mij dat gedicht kwalijk namen. Terwijl ik alleen maar wilde laten zien dat wij mensen niet alleen maar lief en aardig voor elkaar zijn.''

Ares

Wilde Ares, ik ben de vrede moe.

Zwemmen in beken in de lente, vrijen met

de liefste, mijn zonen leren hoe

bogen te spannen en te jagen, luisteren

naar de rhapsoden, de geest te scherpen

met vrienden aan een feestmaal en

gerust te slapen onder een mollig dek,

Ares, ik ben het moe.

Mijn arm wil slaan, niet strelen; dat oog wekt

in plaats van liefde haat, dat lichaam

in plaats van hartstocht lust tot doden op.

Voor we 't beseffen dreunt de horizon van trommen,

worden we opgezweept, een geest van vloek,

wraak, bloedgericht vaart over ons,

oorlog om oorlogs wil, een ordeloos gewemel

van lijven, zweet, bloed, ondergang. Wilde Ares,

niet één verweekte wellust van de vrede

haalt bij ons bronstig, zegevierend krijgsgeschreeuw!

Later, in de Zeeuwse Bibliotheek, bekijken we een paar schilderijen die Warren tijdens de oorlogsjaren maakte. Portretten van vrouwen, gemaakt door een Zeeuwse jongen die zich wilde onttrekken aan de wereld om hem heen. Warren: ,,Zelfs Mario had ze nog nooit gezien. Ik was ze weer vergeten, maar ze lagen nog ergens in mappen op zolder. Het is voor mij nu een soort terugkeer naar die tijd. Ik ben er al snel mee opgehouden, want ik kon niet schilderen wat ik voor me zag. Later kon ik dat in woorden gelukkig wél doen.''

Fossiele schelpen, natuurtijdschriften, boeken, brieven, clandestiene uitgaven, tekeningen, schilderijen, foto's, handschriften; ze liggen allemaal op een mooie manier gerangschikt, geven een beeld van een veelzijdig leven en vormen misschien wel het mooiste jubileumfeest dat Warren zich had kunnen wensen.

,,Ik heb een stofmasker op moeten zetten om de meeste dingen te voorschijn te kunnen halen'', laat Mario Molegraaf weten, als we de expositieruimte verlaten.

Dirk van Weelden

,,Ik droom voortdurend van een volgend boek''

Dirk van Weelden en de 'nieuwe media'

In de zomer van 1993 werd schrijver Dirk van Weelden door de organisatoren van het Groninger literatuurfestival Winterschrift gevraagd om een lezing te houden over literatuur en de nieuwe media. Hij ging toen niet op het voorstel in, maar nu is het tij gekeerd. Komende vrijdag houdt hij tijdens Winterschrift een lezing over de gevolgen voor de literatuur die de snelle technologische ontwikkelingen met zich meebrengen. Als redacteur van het tijdschrift Mediamatic, dat aandacht besteedt aan de culturele en artistieke resultaten van de nieuwe digitale mogelijkheden en alleen via de computer is te verkrijgen, is van Weelden de geijkte persoon om over het onderwerp te spreken. Dat betekent overigens niet dat hij zich nu volledig op de computerwereld heeft gestort. Van Weelden is en blijft in de eerste plaats een schrijver - hij werkt aan een nieuwe roman die in september moet verschijnen. ,,Een boek blijft een boek, een stabiele tekst met metaforen die je door niets anders kunt vervangen.''

Door Jacob Moerman

Het laatste boek dat Van Weelden publiceerde is Oase, zijn derde roman, waarin een aanstaande vader zijn ongeboren zoon 26 brieven schrijft. Een fragment van de laatste pagina: 'Je wisselt van element, zoals je straks uit het warme zwembad van een taalloos bestaan boven water komt in de woorden. Een paar jaar later gebeurt het weer, wanneer je binnenkomt in de duizelingwekkende doolhof van de letters, en nog eens als je wordt opgetild in het elastische universum van de elektronische tekst.'

Oase verscheen in december 1994 en het zoontje van Van Weelden zélf (want natuurlijk heeft hij voor zijn roman voor een deel geput uit eigen ervaringen) is inmiddels vier. Maar is het citaat serieus bedoeld? Is het kunnen spreken vergelijkbaar met het kunnen werken achter de computer? Wie met Dirk van Weelden praat over de veranderingen binnen de elektronische wereld, komt er al snel achter dat het de schrijver ernst is. ,,Het leren praten is een verandering, en het leren omgaan met een tekst die is opgenomen in een elektronische omgeving is een vergelijkbare verandering. Daar ben ik van overtuigd.''

Zijn lezing gaat hoofdzakelijk over het lot van de literatuur, gerelateerd aan de opmars van de nieuwe digitale media. En over de confrontatie tussen die twee. Van Weelden stelt allereerst vast dat de schriftcultuur aan het verdwijnen is. ,,Veertig jaar geleden werd een schrijver bekeken als een representant van een cultuur. Componisten, toneelregisseurs, politici, leiders van vakbonden, iedereen richtte zich vroeger op wat in boeken stond. Daar haalden ze hun normen en overtuigingen vandaan. Dat is nu niet meer zo, een boek is niet langer een kompas. Dus nu betekent het iets anders om te schrijven dan veertig jaar geleden. En over twintig jaar zullen de verschillen met vroeger nog veel en veel groter zijn. De literatuur is niet meer het hart van een cultuur, maar gewoon een van de vele media. Misschien constateren ze later wel dat de mensen met de ideeën uit het eerste decennium van de volgende eeuw niet hebben gegrepen naar het toetsenbord of de pen, maar naar andere middelen.''

Van Weelden gelooft overigens niet dat de nieuwe digitale mogelijkheden het boek kunnen overnemen. ,,Een van de dingen waartegen ik me in mijn lezing zal verzetten, is het idee dat literatuur digitaal moet worden, het idee dat je een roman zou kunnen maken met een heleboel mensen via Internet. Daar geloof ik niet in, omdat literatuur dan haar sterkste kant uit handen geeft. Je kunt w&Mac226;el literaire expertise inzetten om een multimedia product te maken waarbinnen het geschrift een deel van het geheel is. Maar een boek blijft een boek, een stabiele tekst met metaforen die je door niets anders kunt vervangen.''

Waarom vier jaar geleden geen lezing, en nu wel? ,,Het kan natuurlijk aan mij liggen, maar de veranderingen van de afgelopen jaren hebben ook meegespeeld'', vertelt hij. Van Weelden praat snel, maar soms valt tijdens het gesprek een lange pauze. Op zo'n moment lijkt het koffiekopje op een nabijgelegen tafeltje in het Amsterdamse café zijn aandacht volledig op te eisen. Dan: ,,Een paar jaar geleden had je bijvoorbeeld nog geen tijdschriften met beeld en geluid die je op CD-ROM kunt bestellen. Er zijn nu veel meer mogelijkheden. Bovendien is het werken met een computer eenvoudiger geworden. In korte tijd kun je bijvoorbeeld leren om zelf een 'site' te maken. Het leren besturen van een motorfiets kost meer tijd.''

De interesse voor de technologie stamt uit zijn jonge jaren - de elfjarige Dirk was al zeer geïnteresseerd in ruimtevaart en computers. Van Weelden beseft maar al te goed dat de voorspellingen die hij toen las nu al zijn uitgekomen. Dat computers het luchtverkeer regelen, of dat computers behulpzaam zijn bij het ontwerpen van machines of auto's. Rond 1970 moest hij een beroepskeuzetest doen, waaruit bleek dat hij computerprogrammeur wilde worden. Twee jaar later schreef hij zijn eerste gedichten, bezocht het Stedelijk Museum en kwam in aanraking met boeken van Louis Paul Boon en Gerrit Krol. ,,Ja, en die dingen slokten mij volledig op. Dus al snel was ik niet meer zo enthousiast over die technologische ontwikkelingen.''

Dirk van Weelden (1957) werd geboren in Zeist en doorliep het gymnasium in Alkmaar. Daarna vatte hij het plan op om filosofie te studeren, in Groningen. ,,Op de middelbare school las ik bijvoorbeeld werk van Samuel Beckett. Ik vond dat fantastisch, ook al kon ik lang niet alles even goed begrijpen. Daarom begon ik me te verdiepen in denkers die belangrijk voor hem waren geweest. Ik wilde gewoon lezen wat Beckett had gelezen, omdat ik daardoor beter kon snappen wat hij schreef. Dat zag ik als een soort algemene ontwikkeling. De basisingrediënten uit de westerse cultuur wilde ik in me opnemen. Ik heb mijn studie filosofie dus altijd gezien als een soort voorbereiding. Ik zag de filosofie als essentieel voor mijn verdere scholing. Alles was een les. En ondertussen schreef ik me een hoedje. Vanaf het moment dat ik kon lezen, heb ik teruggeschreven.''

,,Ik zag literatuur heel sterk als iets dat deel uitmaakt van een groter verband en iedere schrijver als iemand die een persoonlijk onderzoek heeft ingesteld. Een schrijver was voor mij iemand die iets doet met ideeën en ervaringen die in een veel breder gebied dan alleen de literatuur zijn opgepikt. Ik heb dus nooit bewust literatuur gemaakt, of toegewerkt naar een literaire loopbaan. Toen ik klaar was met mijn studie ging ik gewoon schrijven. Ik zat alleen maar achter de schrijfmachine. Dat heb ik vijf jaar volgehouden zonder iets te publiceren.''

In 1987 verscheen Arbeidsvitaminen, een boek dat hij samen met Martin Bril had geschreven. Het schrijverscollectief publiceerde vervolgens Piano en Gitaar en Terugwerkende kracht. De samenwerking met Martin Bril is nog lang niet ten einde. ,,In 1978 leerden we elkaar kennen, en sinds 1979 werken we samen. We begonnen met vertaalwerk, maar al snel waren we samen bezig met het schrijven van allerlei verhandelingen en vertellingen. We waren beiden geïnteresseerd in schrijven en in literatuur. Dat was in de kringen waarin wij verkeerden niet vanzelfsprekend. Martin ging in 1981 al naar Amsterdam, zodat we gingen corresponderen. Samen met hem en onder andere Rob Scholte heb ik het blad De Angst! gerund, waarin een deel van die briefwisseling is gepubliceerd. Die tekst zou je een soort voorloper van ons eerste boek kunnen noemen. Voor dat boek hebben we een verdieping ingericht als een soort kantoorpand. Iedere dag zijn we toen vanaf 's ochtends half tien gaan tikken. Op die manier is Arbeidsvitaminen ontstaan, en dat was een fantastische manier om te debuteren. Nu zijn we al bijna negen jaar bezig met onze wekelijkse column voor Het Parool. En een tweede deel van Arbeidsvitaminen komt er zeker aan. We zijn van plan om er nog dit jaar mee te beginnen.''

Van Weelden heeft het idee dat hij eigenlijk twee keer heeft gedebuteerd: in 1989 verscheen zijn eerste, eigen roman Tegenwoordigheid van geest, waarin 'het denken' een centrale rol vervult. De vorm van een roman staat bij Van Weelden op de eerste plaats. Voordat hij aan een boek begint te werken, moet hij eerst een ontwerp hebben. ,,En ik moet ook altijd eerst weten waarom ik een boek zou moeten maken. Wanneer je dat niet weet, kun je er nooit achter komen hoe zo'n boek in elkaar moet zitten. Dan zijn de redenen alleen literair of esthetisch. Het is voor mij nu juist de lol dat ik het vormenspel van de literatuur gebruik voor iets anders. In Tegenwoordigheid van geest heb ik geprobeerd duidelijk te maken hoe het is om na te denken. Dat idee heb ik niet op een filosofische manier uit willen werken. Ik heb gekeken hoe het denken in iemands leven past. Hoe je het denken gebruikt om je een weg te banen door verliefdheden, ontroeringen, onzekerheden. Ik had in de loop der jaren nogal wat afgeschreven. Pas daarna ontdekte ik eigenlijk dat de dingen die ik beschreef allemaal daarover gingen.''

,,Ik heb me laten vertellen dat mijn werkwijze lijkt op de manier waarop mensen computerprogramma's maken. Omdat ik eerst wil weten hoe de verschillende elementen op elkaar aan moeten worden gesloten, maak ik diagrammen, lijsten, categorieën. Vervolgens maak ik verschrikkelijk veel aantekeningen over de manier waarop ik een ontwerp uit wil werken. En omdat ik iedere dag schrijf, passen vaak allerlei stukken daarbinnen. Maar daarnaast schrijf ik ook veel stukken waar ik helemaal niets mee doe, omdat ik ze niet goed genoeg vind. Ik denk dat ik bijvoorbeeld over de periode tussen 1983 en 1987 nog zo'n duizend pagina's heb liggen. Maar ja, het is gewoon niet goed.'' Is Van Weelden een twijfelaar? ,,Nou ja, ik weet het niet. Ik kan ontzettend piekeren. Ik vind dat het de lezer duidelijk moet zijn waarom hem iets wordt verteld. Pas dan ben je als schrijver vrij. Wanneer ik een idee heb voor een nieuwe roman heb ik niet alleen meer dan tweehonderd pagina's met aantekeningen liggen, maar ook bakken vol uittreksels van boeken, artikelen, opstellen, verhalen, dagboekaantekeningen. Misschien komt maar heel weinig van dat materiaal in de uiteindelijke roman terecht, maar ik heb dat werk nodig om te kunnen schrijven. Ik droom voortdurend van een volgend boek.''

Na Tegenwoordigheid van geest publiceerde hij nog twee romans, Mobilhome en Oase. ,,Ik wil iedere keer een boek opnieuw uitvinden. Mijn drie romans zie ik dan ook als drie verschillende uitvindingen, manieren om een soort roman te schrijven. Dat resulteert natuurlijk in teksten die zich op gespannen voet bevinden met het rechttoe, rechtaan vertellen van een verhaal. Mijn eerste roman ging over het bewustzijn van tijd, mijn tweede over plaats en mijn derde over hoe het is om een mensenleven te hebben. Dat laatste boek nam afstand van het idee dat je samenvalt met je eigen leven.'' In september verschijnt zijn vierde roman, met als voorlopige titel Orville. ,,Daarin wil ik proberen duidelijk te maken hoe het is om schrijvend te leven. Hoe het vertellen van een verhaal een groep mensen veronderstelt. Daar kun je natuurlijk op een sociologische manier iets over schrijven, maar ik wil nu eens proberen om dat idee op een behapbare manier uit te werken. Maar daarnaast wil ik dat er voor mij zoveel mogelijk op het spel staat. Dat klinkt misschien te serieus, maar ik wil niet alleen maar een idee uitwerken of naar leuke verbanden zoeken. Want uiteindelijk gaan mijn boeken over wat mij het meeste bezig houdt. Ik beeld dat alleen niet af, omdat ik niet geloof in afbeelden. Het gaat mij erom hoe ik iets wil zeggen. En van dat 'hoe' eis ik dat ik bepaalde risico's loop. Ik wil het idee hebben dat ik iets aan het oplossen ben.''

De boeken van Dirk van Weelden verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

Tommy Wieringa

Derde roman van Tommy Wieringa: ‘Alles over Tristan’

"Ik wil als schrijver het liefst onzichtbaar zijn"

Met zijn derde roman ‘Alles over Tristan’ schreef Tommy Wieringa een puur fictioneel werk. Over het ontstaan van het boek zegt hij: "Het was iets totaal anders dan mijn aanvankelijke verwachting over wat schrijven inhield."

Door Jacob Moerman

Hoe hij aan zijn derde roman begonnen is? Wieringa weet het niet meer precies. ,,In het najaar van 1999 ging ik naar Saint Lucia, een van de bovenwindse eilanden. Daar zat ik te werken op een balkon, met uitzicht op zee. Ik had afzondering nodig, om me alleen maar bezig te kunnen houden met het schrijven, want ik dreigde mijn tijd te verdoen met allerlei bijzaken. En daar heb ik de meest belangrijke opzetten voor deze roman op papier kunnen krijgen. De rest van het boek heb ik voor een belangrijk deel geschreven in kloosters."

Tommy Wieringa (geboren in Goor in 1967) debuteerde in 1995 met de roman Dormantique's manco. Zijn tweede roman Amok verscheen in 1997. Hij was mede-oprichter en redacteur van het literaire tijdschrift Vrijstaat Austerlitz. Daarnaast trad hij onder meer op tijdens de festivals Crossing Border, Winterschrift, Double Talk, De Nachten en Lowlands. Wieringa bracht een groot deel van zijn jeugd door op de Nederlandse Antillen. Hij woont nu aan de Vecht, onder de rook van Amsterdam. Deze week verscheen zijn derde roman Alles over Tristan bij uitgeverij De Bezige Bij.

Wieringa ziet in hoe dicht zijn eerste twee romans bij zijn eigen persoon stonden. "Ook Alles over Tristan gaat over een ‘ik’, maar die heeft godzijdank niets meer met mij te maken. De dag dat je ‘ik’ zegt, maar iemand anders bedoelt, die dag is van het allergrootste belang voor het schrijverschap. De eerste twee romans waren geschreven om een bestaande wereld na te vertellen. Maar mijn nieuwe roman schept een eigen wereld. En ik vind het uitstekend om als schrijver onzichtbaar te zijn. Dat is het hoogste wat ik tot nu toe heb weten te bereiken."

Is alles over Tristan dus een puur fictief werk geworden? "Ik heb mijn eigen persoon volledig weggecijferd", geeft Wieringa nadrukkelijk aan. Centraal in de roman staat universitair docent Jakob Keller, die besluit een biografie te maken over de dichter Viktor Tristan. In de havenstad Mercedal probeert hij in contact te komen met de mensen die hem hebben gekend, maar bijna niemand durft zich openhartig uit te spreken. Keller slaagt er evenwel in om langzaam maar zeker de mythe rond de dichter te ontrafelen - in het weede gedeelte van de roman weet Wieringa de spanning in een snel tempo op te voeren.

Uit de roman spreekt een fascinatie voor de mythevorming rond dichters. Waar komt die vandaan? "Nou ja, ik ben inderdaad erg gefascineerd door grote verhalen", geeft Wieringa te kennen. "Verhalen waarvan je eigenlijk al weet dat ze niet kunnen kloppen. Dat ze groter zijn dan het leven zelf. En vanuit een soort kinderlijke behoefte ben je geneigd die verhalen te geloven. Mijn boek gaat uiteindelijk over een ontdekkingsreis naar de verborgen drijfveren in een mensenleven. De hoofdfiguur is een biograaf, maar had ook een onderzoeker of een journalist kunnen zijn. Ik moest iemand hebben die langzaam maar zeker aan de losse draadjes rond een mythe begint te peuteren en daarna ontdekt dat de waarheid totaal anders is."

Hoe moeilijk was het voor Wieringa om zich te bewegen in het fictionele landschap? "Het was iets totaal anders dan mijn aanvankelijke verwachting over wat schrijven inhield. Gelukkig beschikte ik over voldoende wilskracht om het verhaal op papier te krijgen. Ik wist op een bepaald moment waarnaar het moest leiden en had de plot al in mijn hoofd. Alleen de wegen die naar zo’n plot leiden, die moest ik nog op de juiste manier zien te bewandelen. Die hebben mij ontzettend veel hoofdbrekens gekost. In een roman gaat het uiteindelijk om de vorm. Een manier om de lezer te verleiden."

Tommy Wieringa: ‘Alles over Tristan’. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam. Prijs: 17,50

August Willemsen

'Vrienden, vreemden, vrouwen' over liefdes en reizen

August Willemsen als jongeman

Toen August Willemsen in 1985 debuteerde met zijn boek Brazilliaanse brieven had hij al een respectabel oeuvre als vertaler op zijn naam staan. Hij vertaalde een groot aantal Portugese en Braziliaanse schrijvers en dichters, onder wie Machado de Assis, Fernando Pessoa en Drummond de Arcade, waarmee hij een onbekend taalgebied voor de Nederlandse lezers toegankelijk maakte. Zijn eigen boek Braziliaanse brieven (een verslag van vier reizen naar Brazilië, die hij maakte tussen 1967 en 1984) kreeg in 1991 een vervolg met 'De val', waarin zijn alcoholisme en een verblijf in een revalidatiekliniek zijn beschreven. Zojuist verscheen zijn Vrienden, vreemden, vrouwen, een boek met dagboekfragmenten uit de periode 1956-1964 dat veel licht werpt op de persoon die hij later is geworden. De schrijver en vertaler woont op dit moment in Australië, maar is een paar weken in Nederland om de verschijning van zijn nieuwe boek luister bij te zetten. ,,Ik heb me eigenlijk nooit Nederlander gevoeld. Ik leefde altijd aan de rand. En nu woon ik zo ongeveer aan de rand van de wereld.''

,,Ik stond vanmorgen in een winkel waar ik een man zag die mijn nieuwe boek in handen hield'', vertelt de 61-jarige August Willemsen, geheimzinnig. Hij geeft aan dat hij moeite moest doen om zich stil te houden. ,,Want het lag op het puntje van mijn tong om te zeggen: jawel meneer, ik was vroeger die jongeman.''

De voorkant van Vrienden, vreemden, vrouwen toont een jonge Willemsen die tevreden naar het fototoestel kijkt, terwijl een jonge vrouw op zijn schouder ligt te slapen. De foto is illustratief voor de inhoud van het boek, waarin het 'portret van de artiest als jongeman' vooral bestaat uit de notities die Willemsen als student maakte over zijn reizen, liefdes en het Amsterdamse nachtleven. Daarnaast bevat het boek de kritische beschouwingen die Willemsen veertig jaar later toevoegde, zodat Vrienden, vreemden, vrouwen vooral een nietsontziend beeld geeft van zijn verleden. En nu Willemsen in Nederland is, ondervindt hij pas echt dat iedereen dat beeld tot zich kan nemen.

In het najaar van 1996 ontmoette hij de vrouw bij wie hij nu woont, in het Australische Melbourne. Willemsen had aanvankelijk het plan opgevat om zich daar tijdelijk te vestigen, maar het ziet er nu naar uit dat hij Nederland voorgoed achter zich laat. ,,Melbourne vind ik een heel vredige stad. Met Nederland heb ik alleen nog binding vanwege een paar vrienden en uitgevers. Maar voor de rest.... De Nederlandse politiek en de literatuur ontgaan me volledig. Wat me over het algemeen zeer bevalt aan de Australiërs, is dat ze niet houden van poespas, pretenties en valsheid. En juist die dingen kom je soms te vaak tegen in Amsterdam.''

Hij verontschuldigt zich kort wanneer de telefoon gaat. En dan valt het pas duidelijk op hoe moeizaam hij zich voortbeweegt. In december 1990 kwam Willemsen, samen met vier flessen wodka en anderhalve liter Fanta, ten val. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat zijn linkerheup gebroken was. De gevolgen van Koning Alcohol - Willemsen heeft er vanaf dat moment last van. Nog steeds. Hoe die drankzucht ontstaat? Willemsen kan geen verklaring geven. ,,Het vertaalwerk heeft soms onder mijn drankgebruik geleden. Maar het vreemde is dat de dingen die ik echt wilde doen, ook gelukt zijn. De reeks met verhalen en romans van Machado de Assis heb ik allemaal vertaald, op &Mac226;e&Mac226;en deel na. En dat deel bestaat uit zijn slechtste boek. Achteraf is het misschien gemakkelijk redeneren, maar ik denk dat ik me destijds door drankgebruik incapabel heb gemaakt zodat ik dat werk niet meer hoefde te vertalen. Ik had er gewoon geen zin meer in. Dat boek is toen door iemand anders vertaald.''

,,De literatuur heeft dus vanwege mijn drankgebruik niet veel te lijden gehad. Maar w&Mac226;el mijn verhoudingen. Daarom raadpleeg ik nu een psychiater. Ik ben er op aanraden van vrienden mee begonnen. Ik weet nog niet waartoe het moet leiden. Ik heb nu drie gesprekken gevoerd. Drinken is een verslaving, maar dat is bijvoorbeeld het schrijven of het rijden in een auto voor mij ook. Het grote probleem zijn die nare gevolgen die ik van de drank ondervind. Die gebroken heup had een waarschuwing moeten zijn. En hoor nu eens!'' Willemsen klopt een paar keer tegen zijn arm. ,,Die zit nu in een plastic harnasje. In januari ben ik weer gevallen. Die arm wordt wel weer heel, maar het is natuurlijk te stom voor woorden om wéér te vallen.''

Drinken deed hij ook al in zijn jonge jaren, maar in Vrienden, vreemden, vrouwen speelt de alcohol een nog vrij onschuldige rol. Het boek geeft een beeld van het studentenmilieu rond 1960. Willemsen zat in die periode vaker in de kroeg of bij vrienden dan in de kamer van zijn ouderlijke woning, maar zijn drankgebruik had nog geen maniakale vormen aangenomen. ,,Het drinken was gewoon gezellig, dus er was geen noodzaak om de drank af te zweren. Het hoorde voor mij in die tijd ook bij het onderhouden van sociale contacten. Pas later werd ik iemand die in zijn eentje flessen sterke drank leegzoop. En het begon riskant te worden in 1985. Ik vond niet zoveel bevrediging meer in mijn werk en toen ben ik de drank gaan gebruiken om het leven aangenamer te maken.''

Het ging er nogal eens wild aan toe, binnen het studentenmilieu waarin Willemsen zich bevond. Van een 'spruitjesmentaliteit', waarmee de jaren vijftig maar al te vaak worden getypeerd, was geen sprake. ,,Ik denk dat hartstocht en verliefdheden altijd hebben bestaan. En ik heb me in die tijd wat dat betreft heus niet verveeld. Ik vond de omgeving en het milieu van mijn ouders vreselijk saai. Toen ik ging studeren belandde ik in de artistieke kringen, waar ik overigens later ook weer genoeg van kreeg. Maar op dat moment gaven die mij een geweldig gevoel van vrijheid.''

Als student hield hij een dagboek bij, waarin hij al zijn vrienden de revue liet passeren. Sommige passages heeft hij voor het boek geschrapt omdat ze, naar eigen zeggen, te slecht waren. ,,Ik heb geen stukken weggelaten omdat ik ze te pijnlijk vond. Ik heb de dingen precies zo naar voren willen laten komen zoals ze waren en de mensen bij hun bestaande namen genoemd. De belangrijke personen uit het boek heb ik gevraagd om toestemming om het op deze manier te publiceren. En die toestemming kreeg ik, alhoewel sommigen in eerste instantie een beetje geschrokken waren. Want ik ben voor sommige mensen vrij hard geweest. Ook voor mezelf, trouwens.''

Het leven als student verliep voor Willemsen met vallen en opstaan. Al meteen na het gymnasium had hij zich ingeschreven voor het conservatorium, maar zijn muzikale ambities verloor hij langzaam maar zeker uit het oog. De vriendschappen waren maar al te vaak belangrijker. En later de jonge vrouwen, die elkaar in een snel tempo opvolgden. Portugees ging hij pas studeren toen hij 25 was. Op dat moment had Willemsen al een bewogen leven achter de rug, vol met allerlei liefdes, reizen en nachtelijke uitspattingen. Het is opmerkelijk dat Willemsen in die tijd nog steeds in het ouderlijk huis woonde. Waren zijn ouders zo tolerant? ,,Ze hebben heel lang niet geweten wat ik 's avonds en 's nachts uitvoerde. Ik kwam heel laat thuis en dan lagen zij al te slapen. Een jaar voordat ik uit huis ging, woonde ik op zolder. Ik kwam toen alleen naar beneden om te eten. Van wat zich in mijn zolderkamer heeft afgespeeld, hebben mijn ouders geloof ik niet veel geweten. Zij hadden w&Mac226;el hun vermoedens, maar die werden nooit uitgesproken. Het was een tamelijk gesloten gezin.''

Willemsen kijkt overigens niet met negatieve gevoelens terug op zijn jeugd. ,,Die was heel beschermd. Maar blijkbaar had ik de behoefte tot verzet, die werd versterkt door de overbezorgdheid van met name mijn moeder. Ik was haar enige kind. Mijn vader was getrouwd geweest en had al drie kinderen uit zijn eerste huwelijk. Mijn moeder hield op overdreven wijze van mij, en dat is misschien wel begrijpelijk. Sommige mensen gaan gebukt onder een tekort aan liefde in hun jeugd, maar ik heb een teveel gehad.''

De moederliefde en zijn neiging tot verzet resulteerde volgens Willemsen in zijn gestotter waar hij vanaf dat moment niet meer van af is gekomen. Als kind werd hij bewonderd door zijn vlotte manier van spreken. ,,Maar ik kon die bewondering niet verdragen. Toen ik zes was, ben ik gaan stotteren. Dat is voor mij een vorm van verweer geweest, zo heb ik het althans aan mezelf uitgelegd. Ik heb deze reden ook wel eens voorgelegd aan een psycholoog. En die zei: nou, meneer Willemsen, dat hebt u goed gezien.'' Hij laat een korte lach horen. Dan: ,,Op bepaalde momenten heeft mijn gestotter mij behoorlijk dwars gezeten. Maar ik merkte al vrij snel dat mijn gestotter afnam nadat ik met drinken was begonnen. Ik heb dus de drank ook vaak gebruikt om gemakkelijker te kunnen praten.''

Hij neemt zijn moeder de overbezorgdheid niet kwalijk, net zomin als hij kwaad is op zijn vader omdat die NSB'er was. ,,Ik heb het verleden van mijn vader altijd gezien als iets wat hij heeft gedaan, en niet ik'', is het uitgangspunt van Willemsen. Hij heeft alleen spijt dat hij nooit met zijn vader over zijn verleden heeft gesproken. ,,Hij is te vroeg overleden, omdat we in de laatste jaren van zijn leven geleidelijk aan een beter contact kregen. En ik denk dat we zijn verleden hadden aangeroerd wanneer hij langer had geleefd. Ik heb achteraf begrepen dat hij een ontzettende last moet hebben gehad van zijn oorlogsverleden.''

Tegen het einde van de oorlog vertrok het gezin naar Duitsland, waar het jongetje August in contact kwam met twee Franse mannen. ,,Zij waren veel ouder dan ik. De Franse taal begreep ik niet, maar ik vond het fascinerend om naar ze te luisteren. Toen ik later wilde reizen, lag het voor mij voor de hand dat ik naar Frankrijk zou gaan. Bovendien was Frans op de middelbare school mijn lievelingstaal.'' Toen hij zeventien was, stapte hij dus samen met een paar vrienden op de fiets, richting Zuiden. De zucht om te reizen was in eerste instantie het gevolg van zijn recalcitrante houding jegens zijn ouders. Maar daarna, toen Spanje en Portugal op het verlanglijstje stonden, had Willemsen meer de behoefte om weg te zijn uit Nederland. ,,En ik had de drang om steeds verder te gaan. Het overschrijden van de Pyreneeën was een heel belangrijke gebeurtenis. Dat ik uiteindelijk naar Portugal wilde gaan, had overigens te maken met mijn reisgenote Marian.'' Willemsen staat op om een foto te pakken, die hij even later niet zonder trots toont. Een mooie jongedame, deze Marian, die in het boek een belangrijke rol speelt. ,,Zó zag zij er dus uit. En zij kreeg in Spanje buitengewoon veel aandacht van de Spaanse jongens. Daar had ik veel moeite mee. Ik wilde dus naar een land waar zij de taal niet kon spreken. Dus op die manier ben ik in Portugal terecht gekomen.'' En waarom hij later Portugees is gaan studeren? ,,In die tijd kende ik niemand die dat deed. Daarom was het een uitdaging.''

Het ontdekken van Portugal heeft bij Willemsen dus een aardige tijd geduurd. ,,Ik kan nu zeggen dat mijn zoektocht ergens goed voor is geweest, en dat meen ik. Op mijn middelbare school waren er jongens die al precies wisten wat ze wilden worden. Van die jongens heb ik nooit iets begrepen. Mijn dochter is nu twintig en nog steeds zoekende. Ze heeft veel aanleg voor talen, maar ook de behoefte om even niets te leren en wat van de wereld te zien. Dus ik denk: dat komt wel goed met haar.''

In Vrienden, vreemden, vrouwen komt overigens niet alleen een jongeman naar voren die met volle teugen van het leven geniet. Willemsen trok zich ook maar al te vaak terug, vanuit de behoefte om alleen te zijn. Was hij een potentiële kluizenaar? ,,Ik heb in die tijd ook lange avonden doorgebracht met het naspelen van schaakpartijen, en die staan niet eens in het boek beschreven. Er zijn in mijn leven altijd twee aspecten geweest die ik nu nog steeds in mezelf waarneem: de behoefte aan eenzaamheid &Mac226;en aan sociale contacten. Zodra ik in de kroeg ben, wil ik weer naar huis. En thuis wil ik mensen zien. Dat heb ik nu nog. Ik ouwehoer graag met anderen, maar daarnaast ben ik ook graag alleen. Van eenzaamheid heb ik nog nooit last gehad.''

August Willemsen: 'Vrienden, vreemden, vrouwen'. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam. Prijs: 49,90.