Paul de Wispelaere

'Schrijven is voor mij van levensbelang'

De liefste dingen van Paul de Wispelaere

Een boekhandelaar in Brugge krijgt de laatste tijd zo nu en dan een klant over de vloer die hem het laatste nieuwtje vertelt: 'Heb je het al gehoord? Paul de Wispelare is op sterven na dood.' Die klant heeft de nieuwe roman van Paul de Wispelaere 'En de liefste dingen nog verder' gelezen, in de veronderstelling dat schrijver en romanpersonage samenvallen. Maar gelukkig: de schrijver is gezond en heeft niet zoals de ik-verteller in zijn laatste boek nog maar een jaar te leven. De drang om na de eerste kennismaking een arm om de schouder van Paul de Wispelaere te slaan, blijft vreemd genoeg sterk aanwezig: hij is nu eenmaal in staat om met zijn eigen, authentieke toon fictie en werkelijkheid door elkaar te laten lopen en eenieder te doen geloven dat zijn hersenspinsels op waarheid berusten. ,,Ik kan wel iets van die reactie begrijpen’’, vertelt de 68-jarige Vlaamse schrijver lachend. ,,Misschien is het ook wel een beetje mijn eigen schuld.’’

Door Jacob Moerman

De taxichauffeur heeft het niet gemakkelijk en slaat al sturend de plattegrond regelmatig verder open. We rijden over smalle weggetjes waar geen einde aan lijkt te komen, terwijl nergens een straatnaambordje valt te ontdekken. Wél zijn er veel woningen die, zoals later blijkt, in de jaren zeventig zijn gebouwd.

Het Vlaamse platteland in de buurt van Maldegem, het dorp waar Paul de Wispelaere nu 25 jaar woont.

Even later vertelt De Wispelaere dat hij zichzelf nu ziet als 'de eerste indringer'. Toen hij het gebied voor de eerste keer zag, woonden er alleen maar boeren met een klein bedrijf. ,,Ik had het gevoel alsof ik weer naar de tuin van mijn kinderjaren was teruggekeerd. Het dorp waar ik ben opgegroeid deed me sterk denken aan deze omgeving zoals die er 25 jaar geleden uitzag.'' Die omgeving bestond voornamelijk uit weiland. ,,Eigenlijk mocht in dit gebied niet worden gebouwd, maar w&Mac226;el verbouwd. Waar dus iets stond, bijvoorbeeld een stal, kon de bebouwing worden uitgebreid. Daardoor is het gebied volledig veranderd. De bomen zijn weggehaald. En de boeren die hier woonden zijn nu allemaal verdwenen.’’

Er klinkt een gevoel van spijt in zijn stem. En ook van schuld. In En de liefste dingen nog verder overziet de hoofdfiguur de idealen van de jaren zestig en kan hij alleen maar tot de conclusie komen dat die niet zijn uitgekomen. Heeft De Wispelaere willen afrekenen met de mentaliteit van de wereldverbeteraars? ,,Dat is natuurlijk te sterk uitgedrukt, maar toch heb ik geprobeerd om die mentaliteit door te prikken. Ik heb willen laten zien hoe dubbelzinnig de idealisten van toen waren. We dachten dat we aan de goede kant stonden, en die houding vind ik nu vreselijk pretentieus.’’ Als voorbeeld haalt hij zijn eigen opvattingen van 25 jaar geleden naar voren: ,,Toen ik hier kwam wonen, had ik bijvoorbeeld niet meteen in de gaten dat ik een auto zou moeten hebben. En zo'n auto is hier echt noodzakelijk, anders kun je niet eens boodschappen doen. Maar tegelijkertijd verzet ik me heel sterk tegen de luchtvervuiling. Dat klopt dus niet. Ik word me er steeds sterker bewust van dat ook mijn leven vol tegenstrijdigheden zit die ik niet heb kunnen vermijden. Tenzij ik een volledig kluizenaarsbestaan was gaan leiden, maar daartoe heb ik nooit de behoefte gehad.’’

Binnen de Vlaamse literaire wereld van na de oorlog heeft Paul de Wispelaere maar al te vaak een sleutelpositie ingenomen. Na zijn debuut Een eiland worden uit 1963 verhuisde hij van uitgever naar uitgever en maakte hij deel uit van de redactie van diverse literaire tijdschriften. Op dit moment fungeert hij als ad interim hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift, het literaire blad dat afgelopen jaar dreigde te verdwijnen, maar door verschillende financiële injecties en een uitbreiding van de redactie straks een nieuwe weg inslaat. Daarnaast richtte hij tien jaar geleden het Louis Paul Boon-documentatiecentrum op, aan de universiteit van Antwerpen. De Wispelaere liep toen eveneens met het plan rond om een biografie te schrijven over de volgens velen grootste Vlaamse schrijver van deze eeuw, en tekende daarvoor zelfs een contract. ,,Maar hoe meer ik me in het werk en leven van Boon verdiepte, hoe sterker ik besefte hoeveel werk het schrijven en onderzoeken met zich mee zou brengen. Ik had tientallen mensen moeten interviewen en in allerlei archieven moeten zoeken. Ik ben inderdaad begonnen met die biografie, maar zag al snel in dat de hoeveelheid werk te groot was. Nu zijn in het Boon-centrum mensen actief die veel jonger zijn dan ik, dus die zetten het werk voort.’’

De titel En de liefste dingen nog verder is afkomstig uit een gedicht van de vorig jaar overleden Vlaamse dichter Herman de Coninck - die veertien jaar het Nieuw Wereldtijdschrift leidde - aan wie de roman tevens is opgedragen en met wie De Wispelaere een nauwe band had. ,,Ik kan wel zeggen dat Herman de Coninck in de literatuur mijn beste vriend was. We hebben jaren samengewerkt in de redactie van het Nieuw Wereldtijdschrift, zodat ik hem regelmatig zag. Hij wist dat ik bezig was aan deze roman en we hebben een week voor zijn dood nog samen over een geschikte titel gesproken. De Coninck was zeer benieuwd naar het boek dat hij nooit meer heeft kunnen lezen.’’

En de liefste dingen nog verder geeft de lezer de suggestie een testament in handen te hebben. Aan het begin van de roman krijgt een schrijver van achter in de zestig van zijn arts en oude studievriend te horen dat hij kanker heeft en nog hooguit een jaar te leven. De schrijver besluit in een laatste boek zijn bijna voorbije leven in kaart te brengen, zodat alle herinneringen, bespiegelingen, observaties en brieven gekleurd worden door een flinke hoeveelheid weemoed en het besef van vergankelijkheid. Door de authentieke toon en het spel met werkelijkheid en fictie, krijgt de lezer maar al te vaak de indruk dat De Wispelaere zijn eigen levensgeschiedenis vertelt. Is hij nu niet bang dat dat men hem vol medelijden aan gaat kijken? ,,Al minstens tien mensen hebben mij gebeld en heel voorzichtig gevraagd of het waar is dat ik kanker heb.’’ De Wispelaere lacht een beetje ongemakkelijk. Had hij deze reacties verwacht toen hij de roman schreef? ,,Nee, ik had me niet gerealiseerd dat mijn roman zo sterk zou werken. Er zit natuurlijk een dubbele kant in het boek. Mensen kunnen karaktertrekken van mij herkennen, maar aan de andere kant ook weer niet. De reacties geven in ieder geval duidelijk aan hoe sommige mensen lezen, die zijn toch vaak op zoek naar de werkelijkheid achter het boek. Het is zeker niet mijn bedoeling geweest om mijn lezers te misleiden. Maar in het dagelijkse leven lopen fictie en werkelijkheid ook door elkaar, ik vind niet dat je die twee aspecten duidelijk van elkaar kunt onderscheiden. Mensen vertellen elkaar bijvoorbeeld voortdurend verhalen. Over zichzelf, aan zichzelf, aan de anderen, iedereen leeft in een soort wolk van verhalen. En in die verhalen zijn werkelijkheid en verbeelding niet uit elkaar te houden. Dat gegeven fascineert mij, en daarom zie je het regelmatig in mijn boeken terugkeren. Ik zou het dan ook een van mijn belangrijkste thema's willen noemen. Het maakt deel uit van mijn visie op wat literatuur kan zijn.’’

In veel van zijn romans (met name de trilogie Tussen tuin en wereld, Mijn huis is nergens meer en Brieven uit Nergenshuizen) geeft De Wispelaere de lezers derhalve soms de indruk een autobiografisch verhaal in handen te hebben. Maar de schijn bedriegt, omdat de schrijver in zijn boeken maar al te vaak aangeeft dat hij een dubbelleven leidt: het echte leven en dat van een schrijver die dat leven vormgeeft en zich daardoor binnen de wereld van de verbeelding en de fantasie begeeft. Op de titelpagina van zijn eerste roman Een eiland worden uit 1963 lees je 'Mundus est fabula', de wereld is een fabel. De visie dat werkelijkheid en fictie niet uit elkaar te houden zijn, is er dus altijd al geweest? ,,Dat idee moet mij toen dus al bezig hebben gehouden, en is daarna alleen maar sterker geworden. Vooral in mijn roman Tussen tuin en wereld is de spanning tussen werkelijkheid en fictie opgevoerd. Ik was in die tijd hier komen wonen, en daardoor kreeg ik als schrijver nieuwe impulsen.’’

In En de liefste dingen nog verder zorgt de spanning tussen fictie en werkelijkheid bij de hoofdfiguur voor een gespletenheid. Ervaart De Wispelaere het leven ook op die manier? ,,Je zou ook kunnen spreken van vervreemding, dat je jezelf als een vreemde beschouwt. Iedereen heeft volgens mij ervaringen waarin je kijkt naar je verleden alsof het van iemand anders is. Die ervaringen heb ik in ieder geval vaak gehad. Tijdens het schrijven kan ik mezelf van vroeger zien als een personage, en dat is maar goed ook. Er is een afstand nodig, en die houdt vervreemding in. Maar tegelijkertijd kun je natuurlijk proberen om met je eigen verleden samen te vallen.’’

,,Kijk, het kind dat ik ooit was, bestaat natuurlijk helemaal niet meer. Ik heb alleen maar herinneringsbeelden en foto's. Maar ik kan ook proberen om me zo sterk mogelijk in te leven in die verdwenen wereld. Toegang krijgen. In mijn vorige boek Het verkoolde alfabet heb ik dat een aantal malen gedaan. Daardoor kreeg mijn manier van schrijven een andere toon, die ik alleen maar af en toe kon gebruiken. Want je kunt die toon niet volhouden. Het besef dat je dat kind niet meer bent, keert terug. En daarmee ook die afstand.’’

,,Het verkoolde alfabet zag ik als een afronding van de trilogie die ik voor die tijd geschreven had, waarin het spel met het autobiografische op de voorgrond staat. Maar daarna wist ik niet precies hoe ik verder moest. Het heeft dan ook een paar jaar geduurd voordat ik een idee had voor een nieuwe roman. Ik wilde niet een boek schrijven over een romanfiguur dat een soort tweelingbroertje van mezelf is. Ik moest dus een afstand hebben tot de verteller in mijn roman. Die is in En de liefste dingen nog verder dan ook voor een belangrijk deel verzonnen.’’

Behalve het beeld van de jaren zestig en het spel tussen werkelijkheid en fictie is En de liefste dingen nog verder vooral een roman geworden waarin het thema van de vergankelijkheid op de voorgrond staat. ,,Dat thema heeft me altijd zeer geboeid en ik wilde nu een roman schrijven waarin het besef van de vergankelijkheid op de spits wordt gedreven. Als je zo oud bent als ik, kun je nog altijd vooruit kijken. Maar om dat thema sterker te maken heb ik een personage verzonnen voor wie de toekomst afgesloten is. Voor zo iemand is de tijdsbeleving natuurlijk totaal anders geworden. En wat er dan kan gebeuren, d&Mac226;at heb ik in mijn roman willen beschrijven. Iemand die nog maar een jaar te leven heeft, kan alleen maar terugkijken. Maar ook dat verleden is verdwenen. Je kunt dus alleen maar leven met de dingen die in je voortbestaan. Het enige wat de man in mijn roman kan doen, is zijn verleden voor een laatste keer te vertellen, proberen het verleden te doen herleven. En terwijl hij iedere dag een beetje meer doodgaat, krijgt zijn boek iedere dag steeds meer vorm. Tegen het einde van mijn roman laat ik zijn hele bibliotheek uitwaaieren. Met andere woorden: de man gaat dood, maar zijn boeken beginnen aan een nieuw leven. Daardoor is mijn roman uiteindelijk toch niet zo somber geworden.’’

Paul de Wispelaere z&Mac226;elf maakt dan ook allerminst een sombere indruk. We zitten in de zolderkamer van zijn woning, waar hij doorgaans iedere dag werkt. ,,Voor mij heeft het leven in hoofdzaak met het schrijven te maken. Ik kan verder eigenlijk verder ook niet veel. Als ik niet meer zou kunnen schrijven, zou ik niet goed weten hoe ik me nog zou moeten redden. Ik wil nu niet overdrijven, maar eigenlijk is het schrijven voor mij van levensbelang. Er gaan weinig dagen voorbij zonder dat ik een paar regels aan het papier heb toevertrouwd.’’

Voordat we afscheid nemen, overhandigt hij me het laatste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift. Het is gewijd aan zijn vriend Herman de Coninck.

Paul de Wispelaere: 'En de liefste dingen nog verder'. Uitgeverij Atlas, Amsterdam. Prijs: 34,90.

Fragment

Hoe ik gisteren thuisgekomen ben weet ik niet meer. Ik moet in mijn auto gestapt zijn, de vertrouwde beukenlaan zijn opgedraaid, door het dorp zijn gereden alsof ik, uit een verdoving ontwaakt, op slag tot een andere categorie mensen behoorde, en ik herinner me er niets van. De 'hij' uit mijn aantekeningen ben ik zelf, maar berust het idee van de identiteit niet op de zekerheid dat morgen de voortzetting van gisteren is? De bron is de oorsprong van de monding. Stromend gaat de rivier haar einde tegemoet. De zee is het graf van de rivier. En toch, bij het opstaan kreeg ik vanmorgen de vreemde gedachte dat de tijd zich niet voorwaarts beweegt maar seconde na seconde wegtikt naar het verleden. De hele dag heb ik in het verleden van morgen geleefd. Naar de hel met zulke spitsvondigheden. Het glanzende blauw-en-groene vederkleed van de pauwhaan die mij van achter het raam nieuwsgierig en brutaal staat aan te kijken zou net zo goed tienduizend jaar oud kunnen zijn. Al zijn voorvaderen weerspiegelen zich in zijn kleuren.

Ook oktober is teruggekeerd, de opeenvolging van de maanden en seizoenen houdt het jaar in bedwang, maakt de toekomst voorspelbaar en neemt de dreiging ervan weg. Gebouwen worden gesloopt, bossen worden omgehakt, maar aan oktober kan niet worden geraakt. Zie: de bomen houden zich bladstil en beven alleen maar een beetje. Het is ook de tijd van de pimpelmezen, de kolibries van het noorden, die als vederlichte acrobaatjes aan de twijgen zwieren. En de kraaien en de Vlaamse gaaien, die dieven in de kruin van de walnoot. Rauw krassend en schreeuwend zijn ze op hun post. En in de berken hangen weer gele vlaggen. Het is niet te geloven dat het allemaal regelmatig terug zal keren en voortbestaan zonder dat ik het hoor en zie. Ook de straat die door de velden naar caf&Mac226;e De Wielewaal kronkelt. En het dorp. En de stad. En Marlies. En, veel verder weg, Spanje en Mexico. En de wereld. Alle liefste dingen. Overal waar ik ooit geweest ben en alles wat in mijn geheugen is bewaard. Zonder toekomst wordt echter ook het verleden een ondraaglijke last.

Jan Wolkers

‘Ouder worden heeft vaak te maken met aanstellerij’

Jan Wolkers 75 jaar

Al in de auto gaat hij van start. Hij wijst naar het dorpje waarop hij iedere dag uitzicht heeft, geeft een flinke opsomming van vogelnamen, lacht bij het zien van de angstaanjagende kraaien op het dak van een bouwvallig huisje (,,Hitchcock is hier voortdurend aanwezig, hoor’’) en vertelt hoe het bos rond zijn woning aan het begin van de vorige eeuw kon ontstaan. Zo nu en dan neuriet hij. Hij voelt zich volkomen op zijn gemak in de natuur van Texel, het eiland waarnaar hij in 1980 verhuisde. In zijn woning serveert zijn vrouw al snel koffie met speculaaspuntjes, terwijl de uitgedroogde peren en pruimen op tafel bijna uitdagend in de schaaltjes liggen te pronken. Alsof ze willen zeggen dat tijd wel degelijk bestaat. Ach, ook hier, op deze plek die wordt omringd door bos en zee, zijn de jaren ongemerkt verstreken. Morgen wordt Jan Wolkers 75.

Door Jacob Moerman

Afleiding genoeg. In zijn atelier besluit een vlieg zich aan de rand van de werktafel te gaan wassen. De aandacht van Wolkers is meteen gevestigd: ,,Kijk nu eens, hoe mooi. Daarom staat in mijn roman Turks fruit: als je ziet hoe ze zich wassen, sla je ze nooit meer dood. Kijk, zie je hoe die achterpoten over die vleugels gaan? Dat is toch niet te geloven! Doe dat maar eens na! Ik blijf die beesten geweldig vinden. Soms zie ik een torretje als ik op de wc zit. Dan pak ik altijd een papiertje om er vervolgens voor te zorgen dat dat torretje weg kan lopen.’’

Wolkers stelt resoluut vast: hoe ouder hij wordt, hoe sterker hij merkt dat hij altijd de jongen van vroeger is gebleven. ,,Ouder worden heeft vaak te maken met aanstellerij. Ik zie soms van die mensen die er uitzien dat ik ze wel een schop onder hun kont zou willen geven. Zo van: ga alsjeblieft een stukje fietsen. Je kunt er natuurlijk fysiek zó slecht aan toe zijn, dat je alleen nog maar kunt zitten. Maar tot die tijd hoef je je niet oud te gedragen. Dat zie je soms bij die jongens die de volwassen leeftijd hebben gekregen, dat worden plotseling van die heertjes. Met van die nette kleren. En ze gaan zich anders gedragen, omdat ze denken dat de maatschappij dat van ze eist. Dan denk ik: godverdomme, hang die lul eens uit je broek en doe dáár een zijden strik om.’’

De 75ste verjaardag van Wolkers moet natuurlijk worden gevierd. Zijn uitgeverij stelde een volledig programma samen, dat tijdens een bijeenkomst in de Amsterdamse Werkteater vanavond wordt gepresenteerd. Met onder meer muziek van het Willem Breuker Collectief en een lofrede van Remco Campert wordt de schrijver in het zonnetje gezet. En daarnaast worden een paar nieuwe boeken van zijn hand ten doop gehouden: de gedichtenbundel Jaargetijden, de essaybundel Wolkers in Wolkersdorf en een nieuwe, uitgebreide versie van het Schrijversprentenboek Tijd bestaat niet. En natuurlijk, ook Wolkers gaat iets doen om zijn verjaardag luister bij te zetten. ,,Ik ga iets voorlezen, maar weet nu alleen nog precies wat. Ik zal alleen blij zijn als het allemaal voorbij is, zodat ik hier weer lekker in alle rust kan werken. Ik word in deze periode voortdurend gebeld met allerlei vragen. En dat leidt natuurlijk erg af.’’ Maar die viering is toch geen noodzaak? ,,Nee, dat weet ik ook wel. Maar mijn uitgever heeft prachtige boeken op de markt gebracht waar ik erg blij mee ben. En dat schept natuurlijk bij mij een verplichting om iets te doen. Maar er zijn ook vaak genoeg dingen geweest die ik heb geweigerd. Toen Turks fruit in de Verenigde Staten verscheen, wilden ze dat ik daar een hele tournee maakte, van twee weken. Daar heb ik toen voor gepast. Ik heb gewoon geen zin in dat soort dingen. Deze week signeer ik een paar keer, en dat vind ik genoeg.’’ Wolkers begint te lachen: ,,En daarna gaan we gewoon op naar de tachtig.’’

Schilderen, beeldhouwen, schrijven – Wolkers heeft het tientallen jaren gedaan en voor hem is het niet zo belangrijk welke discipline op de eerste plaats staat. ,,Ik ben altijd heel bewust bezig geweest met de dingen die ik maakte. Dat komt denk ik vooral door mijn opleiding. Als beeldhouwer kun je niet maar wat doen. Je moet vooraf heel goed weten waarmee je bezig bent, omdat anders het eindresultaat tot mislukken gedoemd is. Dát heeft eigenlijk mijn hele mentaliteit gevormd. Ik behoor dus niet tot die mensen die maar wat aanmodderen. Van een criticus heb ik eens te horen gekregen dat ik met stront smijt. Ik heb weliswaar werk gemaakt met schapenkeutels en koeienstront, maar daarin zitten heel doordachte structuren. Dat is bijna Mondriaanesk gedaan. Ik heb dus nooit met stront gesmeten, alleen misschien naar critici die niets van mijn werk begrijpen.’’

Zijn schilderijen hebben de laatste tijd vooral te maken met het licht van Texel, geeft hij aan. ,,Bijna iedere dag lopen mijn vrouw en ik door de duinen en langs de zee. Die indrukken probeer ik weer te geven. Het is niet zo dat ik met mijn schildersezel in het landschap ga staan. Het gaat in mijn werk om de ervaring.’’ Hij wijst op een van de doeken die in zijn atelier hangen. ,,Dat heb ik gemaakt na een flinke storm. Ik ben toen naar de zee gegaan en heb dat enorme natuurgeweld in me opgenomen. Zoals ik het ondergaan heb, zo wil ik het vervolgens weergeven in een schilderij. En ook het licht op Texel. Ja, het is nu een beetje grauw, maar je hebt van die dagen dat het lijkt alsof er allemaal van die gekleurde kristallen in de lucht hangen. Dat is heel bijzonder. Ik heb het eigenlijk alleen eerder gezien in Venetië, dat het licht als het ware vol kleuren is.’’

Het schrijven van romans lijkt voor Wolkers tot het verleden te behoren. Zijn laatste roman, Gifsla, verscheen in 1983. ,,Veel mensen hebben me sindsdien gevraagd waar mijn volgende roman blijft. Maar ik ben toch niet verplicht om een roman te schrijven? En als mensen zeggen dat ik niets meer schrijf, hebben ze het volledig mis. Ik heb verdomme de afgelopen jaren vier essaybundels gepubliceerd. En ik heb daar bovendien een prijs voor gekregen, dus dat zegt wel iets. Maar tegenwoordig is het zo dat uitgeverijen steeds meer marktgericht zijn. De ene bestseller is nog niet verschenen, of de volgende moet alweer worden uitgebracht. Maar veel van die boeken zijn al een jaar later vergeten.’’

Wolkers is van mening dat het accent in zijn werk te nadrukkelijk op zijn romankunst is komen te liggen. ,,Als je een boek publiceert, krijgt je al snel een hele stapel brieven van mensen die denken een oordeel te moeten vellen. Maar als je een beeld maakt, staat vaak niet eens je naam in de krant. Alleen maar de naam van de wethouders die het beeld onthult.’’ Wordt volgens hem de beeldende kunst te weinig gewaardeerd in Nederland? ,,We hebben in Nederland op dat gebied nooit een grote traditie gehad. En ja, we hebben hier natuurlijk ooit die beeldenstorm gehad, hè? Misschien zijn we in ons hart nog steeds van die beeldenstormers. Vandaar misschien dat in Nederland zoveel beelden worden vernield.’’

Met name in de jaren zestig en zeventig verschenen veel dikke romans van zijn hand, waaronder De walgvogel en De kus. Is toen de beeldende kunst niet op de achtergrond geraakt? ,,Nou nee, want in die tijd werkte ik overdag in mijn atelier en schreef ik in de avonduren. Dat is toen alleen nooit zo duidelijk naar buiten gekomen. Het heeft er denk ik vooral mee te maken dat ik in die tijd niet hoefde te exposeren. Mijn collega’s moesten dat in die tijd wél, om het hoofd boven water te houden. Maar ik dus niet, omdat mijn boeken goed verkochten. Daardoor was de druk bij mij niet zo groot en dat was een enorm voordeel. Ik heb eigenlijk altijd mijn eigen gang kunnen gaan en me nooit aan hoeven passen aan de smaak van bijvoorbeeld galeriehouders. En ook in mijn boeken hoefde ik geen pas op de plaats te maken. In mijn romans zie je dan ook een voortdurend andere aanpak. De verschillen tussen De Walgvogel en Terug naar Oegstgeest zijn enorm.’’

Zelfdiscipline en een strakke dagindeling – Wolkers heeft er altijd baat bij gehad. Zijn beide zoons Bob en Tom zijn inmiddels negentien en wonen in Tilburg. ,,Toen de jongens naar school gingen, moest ik ‘s ochtends na het opstaan eerst brood smeren en sinaasappels uitpersen. En als ze vertrokken, keek ik ze altijd na, op hun fietsjes. Dat was een prachtig gezicht. Totdat ze in de vaalheid van het bos verdwenen waren. En daarna ging ik aan het werk.’’ Hebben zijn zoons zijn romans gelezen? En hoe waren hun reacties? ,,Nou, ik denk dat ze via de school in aanraking met mijn boeken zijn gekomen. Het gevoel van mijn zoons is natuurlijk dubbel geweest. Kinderen willen zoals andere kinderen niet te veel in de belangstelling staan. En dat is ook niet gebeurd hoor, want het accent in hun jeugd is helemaal niet zo op het leven mij van komen te liggen. Mijn vrouw en ik hebben geprobeerd ze op een zo gewoon mogelijke manier groot te brengen, niks bijzonders. En daardoor denk ik dat ze zich nu wel kunnen redden. Kinderen van bekende mensen maken vaak een verwende en verveelde indruk, maar die jongens van mij gelukkig niet. En ze hebben voor mijn bundel schitterende tekeningen gemaakt.’’

Met de viering van zijn verjaardag ontpopt Wolkers zich als dichter, aangezien de eerste officiële poëziebundel van zijn hand wordt gepresenteerd. De bundel Seizoenen bevat twaalf gedichten over de jaargetijden, verfraaid met tekeningen van Tom en Bob Wolkers. Wat opvalt aan de bundel, is dat Wolkers een donker beeld heeft geschetst van de lente, waarin de dood alom heerst. ,,T.S. Eliot schreef al: April is the cruelest month. Het voorjaar is zeer wreed, vooral hier op Texel. De afgekoelde zee zorgt ervoor dat het hier lang koud blijft. En alles wat zich probeert te verheffen, wordt soms door hagel tot moes geslagen.’’ De eerste cyclus eindigt met de regel: ‘Dood, dood en nog eens dood, en even leven.’ ,,Ja, de mens is ten opzichte van al die miljarden sterren en planeten boven ons natuurlijk helemaal niets, hè? Met mijn sterfelijkheid heb ik dan ook geen moeite. Het enige waaraan ik dan kan denken, is aan de jongens. Als je op latere leeftijd twee van die jongens krijgt, weet je dat je ze op hun dertigste waarschijnljk niet meer zult zien. Die mogelijkheid hangt aan een zijden draadje, zal ik maar zeggen. Ik weet nog goed dat de jongens me vroegen of zij ook dood zouden gaan, toen ze een jaar of drie waren. Toen zei ik: nee hoor, jullie blijven eeuwig leven.’’ Wolkers begint samenzweerderig te fluisteren: ,,Een paar jaar later vroegen ze het me weer en kon ik niet anders doen dan ze de waarheid vertellen.’’ Het stemvolume is nu tot bijna het nulpunt gedaald: ,,En toen liepen de tranen over hun wangen.’’

Jan Wolkers: ‘Wolkers in Wolkersdorf’, ‘Seizoenen’ en ‘Tijd bestaat niet’. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam. Prijs: 25,00, 34,90 en 55,00.

Aya Zikken

'Na een tijdje denk ik: ik moet maar weer eens weg'

De reislust van Aya Zikken

Ze debuteerde in 1953 en schreef daarna een groot aantal romans en reisverhalen die met elkaar een respectabel oeuvre vormen. Hoeveel boeken ze precies heeft geschreven, weet Aya Zikken niet - toen een paar jaar geleden de 25ste titel werd uitgegeven, besloot ze te stoppen met tellen. Afgelopen week verscheen 'De tuinen van Tuan Allah', een 'reisverhaal in romanvorm' die het resultaat is van haar reis langs en op de Indonesische palmeneilanden Klein Kei, Groot Kei, Tanimbar en Aru. Een gesprek met deze 'grand old lady' van de Nederlands reisliteratuur in haar woning in het Drentse Norg, leidt al snel naar Indonesië, het land waar ze opgroeide, en haar nimmer eindigende zin voor avontuur: ,,Het vervelende bij mij is dat ik soms niet besef dat ik een lichaam heb van 79 jaar.’’

Door Jacob Moerman

Plotseling weet ik het zeker: er loopt een muis door de woonkamer van Aya Zikken. Het beestje snuffelt, trippelt en gedraagt zich alsof het bezig is aan een routine-onderzoek. Ik kan mijn verbazing niet onderdrukken: H&Mac226;e, daar loopt een muis. ,,Ach ja’’, zegt Aya Zikken. ,,Er ligt wel van dat spul, maar daar eten ze niet van. Dus laat maar.’’

Aya Zikken is wel wat gewend. In De tuinen van Tuan Allah heeft ze beschreven hoe ze op een bepaald moment bijkwam, niet wetend wat er precies was gebeurd tijdens haar reis door Indonesi‰e. Van de koortsaanvallen die ze achter de rug had, kon ze zich niet veel meer herinneren. W&Mac226;el wist ze nog dat ze vanwege het droge seizoen geen regenwater had kunnen drinken. ,,Ik stond voor de keuze om uit te drogen of om water aan te nemen dat me werd aangeboden. De mensen daar zijn natuurlijk bestand tegen de bacteriën, maar ik niet. Omdat ik daarna werd verzorgd, ben ik er gelukkig goed van afgekomen.’’

In november vorig jaar kreeg ze de Anna Bijns-prijs voor haar hele oeuvre. Heeft ze die prijs gezien als een stuk erkenning? Aya Zikken is stil, en voor enige tijd zijn de pretoogjes verdwenen. Dan: ,,Die erkenning krijg ik denk ik toch meer wanneer ik bijvoorbeeld een leuke brief van een lezer krijg. Laatst nog. Iemand schreef me: ik heb gehoord dat u volgend jaar tachtig wordt, maar u gaat toch hoop ik wel door met schrijven! Nou, dat vind ik prachtig. Ik ben iedere keer erg blij met dergelijke reacties, want dan besef ik pas goed dat mijn boeken ook werkelijk worden gelezen. Maar daarnaast vond ik het natuurlijk ook erg leuk om die prijs te krijgen, vooral vanwege het feest dat was georganiseerd. Vrienden en collega's hadden van alles geregeld, ik hoefde zelf helemaal niets te doen. En aan de prijs was een bedrag van tienduizend verbonden. Met dat geld heb ik meteen dit huis in Norg weer gehuurd. Want dit is mijn werkhuis.’’

Haar woning is Norg is overigens prachtig, evenals de omgeving. Hier kan Aya Zikken in alle rust schrijven. En die rust vindt ze niet tijdens haar reizen 'in den vreemde', zodat haar leven vooral in het teken staat van de afwisseling. Maar is het hier niet vreselijk eenzaam, in Norg? ,,Wat is eenzaam?'', reageert de schrijfster onmiddellijk. ,,Ik heb hier ontzettend veel boeken en muziek om me heen. En een computer die de hele wereld in mijn huiskamer brengt. Zo'n computer vind ik een geweldige uitvinding, echt iets voor oude mensen. Je leeft met zo'n ding eigenlijk aan de kant van de weg, terwijl van alles en nog wat voorbijschiet.’’ Twee pretoogjes kijken me aan.

Ze werd geboren in Gelderland, waarna haar ouders naar 'Ons Indië' vertrokken. Daar bracht Aya Zikken het grootste deel van haar jeugd door. Terug in Nederland woonde ze dertig jaar in Amsterdam, waar het gezinsleven veel tijd in beslag nam. Maar vanaf het moment dat ze niet meer hoefde te zorgen voor haar twee dochters, besloot ze de stilte op te zoeken. Eerst in Friesland, toen in Spanje. Drie jaar geleden viel haar oog op de fraaie vakantiebungalow in Norg. ,,Van Amsterdam heb ik zeer genoten, dus ik geloof dat ik zo ongeveer wel alle voordelen van een grote stad heb meegemaakt. Maar op een gegeven moment kon ik niet meer goed tegen al dat lawaai en kreeg ik een steeds grotere behoefte aan rust en privacy.’’

Haar nieuwe boek De tuinen van Tuan Allah ziet Aya Zikken in de eerste plaats als een onderdeel van haar serie reisboeken. Toen haar beide dochters het huis uit waren, begon ze met regelmaat haar koffers te pakken. ,,Op dat moment kwamen blijkbaar opeens lang onderdrukte avontuurlijke gevoelens naar boven’’' Maar goed, ze moet ook erkennen dat ze vaak wég wil, de boel de boel laten. ,,Door het werk van mijn vader, was ik al als kind gewend om vaak van de ene plaats naar de andere te trekken. Hij woonde nooit twee jaar in hetzelfde huis. Het was dus al snel een patroon in mijn leven geworden om te vertrekken. En ik denk dat die onrust van mij daar mee te maken kan hebben. Na een tijdje denk ik: ik moet maar weer eens weg. Ik woon graag alleen, maar op een gegeven moment steekt toch de behoefte om veel mensen te zien weer de kop op. En geloof me, als je in je eentje op reis gaat naar een Aziatisch land, ben je echt nooit alleen.’’

Haar woorden lijken vooral betrekking te hebben op De tuinen van Tuan Allah, waarin de schrijfster tijdens haar reis wordt vergezeld door een buschauffeur, een botenbouwer en een gids. Deze gids, het meisje Yekki, probeert alles voor haar te regelen, met veel conflicten als resultaat. Met name via haar rol laat Aya Zikken zien hoe verschillend Nederlanders en Indonesiërs zijn. Maar wat is voor haar het meest typerende verschil? ,,Nederlanders vind ik te degelijk, Indonesiërs te zorgeloos. Maar het leuke is dat mensen elkaars verschillen kunnen waarderen. Ze vullen elkaar aan. Het zorgeloze van de Indonesiërs vind ik eigenlijk bewonderenswaardig. Ik heb soms het gevoel dat ook ik een beetje heb geleerd om op die manier te leven. Maar die zorgeloosheid van Indonesiërs hebben ook vaak mijn irritaties gewekt.’’

Heeft Zikken in De tuinen van Tuan Allah geprobeerd om zo dicht mogelijk de werkelijkheid te benaderen? ,,Nee, dat probeer ik niet. Ik wil het verhaal vertellen zoals het mij voor ogen staat.’’ Ze geeft aan dat het verhaal in haar nieuwe boek geromantiseerd is, terwijl ze tegelijkertijd niets heeft verzonnen - de uitgeverij heeft De tuinen van Tuan Allah niet voor niets aangekondigd als een 'reisverhaal in romanvorm'. ,,Ik probeer tijdens een reis altijd notities te maken, maar gebruik alleen maar een kleine agenda. Daar schrijf ik trefwoorden in, soms een enkele keer een naam of een Indonesische uitdrukking. Het verhaal maak ik na thuiskomst. Ik heb dan eerst een rustperiode nodig, beschrijf mijn herinneringen in een soort telegramstijl. En ik zoek veel dingen op, om te kijken of ze wel kloppen. Je kunt zeggen dat ik achteraf research pleeg, want ik wil de werkelijkheid niet vervormen. En pas daarna ga ik het boek schrijven.’’

Een kleine rekensom leert dat De tuinen van Tuan Allah haar 27ste boek is. Of niet? ,,Na mijn 25ste boek heb ik besloten om op te houden met boeken tellen. Ik begon het een beetje gênant te vinden, want ik lijk wel een soort machine die het ene na het andere boek produceert. Een totaal van 25 boeken vond ik dus eigenlijk wel genoeg, maar het probleem is dat ik niet kan stoppen met schrijven. Het is voor mij een manier van leven geworden. Alles wat ik meemaak lijkt pas zin te krijgen wanneer het is beschreven. Dat is natuurlijk niet waar, ik weet het, maar ik voel dat nu eenmaal zo. Ik denk dat iedereen op zoek is naar een manier om dingen in het leven te verwerken. Sommige mensen kunnen alles heel uitgebreid vertellen, om tegemoet te komen aan een innerlijke behoefte. Voor mij bestaat die behoefte uit het schrijven. En of het zin heeft... Dat zou ik niet weten. Daar eindigt De tuinen van Tuan Allah dan ook mee, met de zin 'ik heb eigenlijk nergens enig idee van.'. En dat meen ik. Hoe ouder ik word, hoe meer ik ga begrijpen dat je alleen maar een mening over iets hebt omdat mensen die nu eenmaal van je verwachten. Het hebben van een mening heeft bij ons te maken met de omgangsvormen. Wanneer je nergens iets van vindt, tel je niet mee.’’

Haar mening over de recente veranderingen in Indonesië kan of wil ze in ieder geval niet geven. Hoe heeft ze die gebeurtenissen overigens gevolgd? ,,Via de televisie en internet. Op internet discussiëren mensen met elkaar over de situatie daar, en dat vind ik boeiend om te lezen. Maar ik neem niet aan de discussie deel.’’

Ze heeft geschreven over haar reizen in Israël, Afrika, India, en, natuurlijk, de Indonesische archipel. In Drieluik Sumatra (waarvan afgelopen week een goedkope herdruk verscheen) zijn drie boeken bijeengebracht die zich laten lezen als een speurtocht naar haar jonge jaren in voormalig Nederlands-Indië. Is Aya Zikken in die boeken vooral op zoek geweest naar het verloren paradijs van haar jeugd? ,,Nee, dat zou ik zinloos vinden. Ik geloof dat dat paradijs alleen maar in je verbeelding aanwezig is. Al tijdens mijn eerste reis in 1980 ben ik er niet naar op zoek gegaan, alhoewel de indrukken die ik toen opdeed het meest overweldigend waren. Ik heb daarna nog verschillende reizen gemaakt, omdat ik steeds geen afscheid wilde nemen. Dat heeft denk ik te maken met bijgeloof. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik mijn verhaal over Indonesië niet heb afgerond. Omdat ik alles nog niet heb gezien, hoef ik nog niet dood. Dat is denk ik de reden geweest waarom ik bewust nog niet naar bepaalde plaatsen ben gegaan. Die bewaar ik voor een volgende keer. En dan &Mac226;is er dus een volgende keer.’’

,,Nou en of’’, laat ze onmiddellijk weten na mijn opmerking dat bij haar kennelijk een jonge geest in een ouder wordend lichaam huist. Maar ziet een 79-jarige niet verschrikkelijk op tegen de lichamelijke aftakeling? ,,Natuurlijk, maar er is niets tegen te doen. Je kunt op mijn leeftijd alleen maar proberen om die zoveel mogelijk uit te stellen. Ik kan nu niet meer vijftien kilometer lopen. Gelukkig kan ik nog goed fietsen, en dat wil ik dan ook zo lang mogelijk proberen vol te houden. Ook ben ik blij dat ik mijn eigen huishouden kan regelen.’’

En is de volgende reis al geboekt? ,,Mijn huisarts heeft geen enkel bezwaar tegen mijn reislust, maar vertelt me dat ik daar niet meer onder die primitieve omstandigheden moet leven. Ik zal me dus niet meer zo snel in de rimboe van Borneo wagen, omdat ik dan al bij voorbaat weet dat ik risico's loop. Ik heb altijd veel geluk gehad, maar weet niet of dat geluk mij straks nog toe zal blijven lachen.’’

,,Ik heb in Indonesië een fijne jeugd gehad, maar ik kan niet zeggen dat ik terugverlang naar het hebben van een jonge leeftijd. Natuurlijk, ik heb momenten dat ik wel weer eens een paar jonge benen zou willen hebben, of een jeugdig figuur. Maar ik heb niet zoiets van: ik zou wel weer eens jong willen zijn. Ik wil in feite op een zo goed mogelijke manier oud zijn. Het vervelende bij mij is alleen dat ik soms niet besef dat ik een lichaam heb van 79 jaar. Ik heb wel eens meegemaakt dat ik wilde opspringen, maar vervolgens merkte dat ik dat helemaal niet meer kon. Je krijgt dan het gevoel dat je als het ware op je neus valt. En daar moet ik dan wel om lachen. Het heeft immers ook iets komisch dat ik op sommige momenten vergeet hoe oud ik ben.’’

Aya Zikken: 'De tuinen van Tuan Allah'. Uitgeverij Atlas, Amsterdam. Prijs: 39,90.

Fragment uit 'De tuinen van Tuan Allah' van Aya Zikken

De oostkust van Yamdena is het dichtst bevolkte deel van de Tanimbararchipel. Toch zie je als je langs de kust vaart uitsluitend dichtbeboste hellingen. Alleen als je goed kijkt ontdek je hier en daar trappen van rotsblokken die vanaf het strand omhooglopen tot aan de top van een heuvel waar soms het dak van een dorpshut door het gebladerte schemert.

Menselijk leven is op die smalle stranden vrijwel niet te zien. Af en toe verschijnt een prauw of vissersbootje in het zicht, maar veel verkeer is er niet op het water.

Dit deel van Tanimbar lijkt een ongerept en moeilijk te betreden land, met in het midden bergen, bedekt met onbegaanbaar oerwoud.

Toch hebben, lang geleden, Nederlandse oorlogsschepen voor deze kust gelegen die de dorpen met hun kanonnen bestookten. Zoiets was onbekend in deze streken. Het bracht een snelle overwinning. Pas toen kon een begin worden gemaakt met de handel, het kannibalisme kon worden verboden, missie en zending konden hun kans krijgen.

Onze witte missieboot is een vrachtscheepje, waarvan het laadruim is gesloten en bedekt met een zeil waarop we met opgetrokken benen naast elkaar zitten. Ik heb niet gerekend op zo'n langdurige vaart en heb de tocht onvoldoende voorbereid. Nu moet ik wel een boterham aannemen van pastoor Geelen, die terugkeert naar zijn parochie en die mij verhalen vertelt over zijn leven in deze streek. Hij zit hier al bijna elf jaar en heeft als werkterrein een gebied met dertien dorpen, waarvan de meest noordelijke en de meest zuidelijke zestig kilometer uit elkaar liggen. Een auto heeft hij niet, want er zijn geen berijdbare wegen tussen de dorpen. Hij bezoekt al zijn parochianen te voet. Hij moet niet alleen de mis opdragen, hij is ook een beetje arts, soms psychiater en sociaal werker. Het lijkt ver weg van het leven in het dorp in de Peel waar hij is geboren. Het kannibalisme is in onbruik geraakt, maar nog steeds zijn er oorlogen tussen de dorpen. Kortgeleden heeft hij vanaf een heuvel machteloos moeten toezien hoe op het strand van Alusi de inwoners van twee dorpen op bloedige wijze met elkaar in botsing kwamen. Pijl en boog, een speer, een zwaard, een mes, het werd allemaal fanatiek gehanteerd. Twee doden en een groot aantal gewonden was het gevolg. Militairen en politie kwamen van het vasteland. De gewonden moesten voor verzorging acht uur varen voordat ze in een ziekenhuis konden worden opgenomen. Een groot aantal raddraaiers werd opgepakt en naar de boei in Larat gebracht. Familie moet zorgen dat ze daar te eten krijgen. De staat geeft ze een gratis heropvoeding. Het zijn verhalen waarbij je vergeet dat je door de zee hebt moeten waden om in de prauw te kunnen klimmen en dat je bij de missieboot gekomen op weinig galante wijze aan boord bent gehesen, dat je broek kletsnat is en je schoenen vol zitten met vergruizelde schelpjes.

Joost Zwagerman

Zelfmoord centrale thema in nieuwe roman

Joost Zwagerman over ‘Zes sterren’

Hoe kan het dat Joost Zwagerman een roman schrijft waarin het begrip ‘zelfmoord’ centraal staat? In zijn vorige week verschenen ‘Zes sterren’ reconstrueert hoofdfiguur Justus Merkelbach het leven van zijn oom, die door middel van een overdosis pillen er een eind aan heeft gemaakt. Zwagerman had voorheen een broertje dood aan het schrijven van ‘autobiografisch’ proza, maar geeft aan dat deze keer gebeurtenissen uit zijn eigen leven aan de basis hebben gestaan van zijn nieuwe roman: ,,En ik denk dat ik over zelfmoord nog lang niet uitgeschreven ben.’’

Door Jacob Moerman

,,En bizar toeval’’, geeft Joost Zwagerman halverwege het gesprek aan. ,,Ik werkte aan mijn nieuwe roman toen ik werd gebeld door iemand van een krant over de zelfmoord van Herman Brood. En of ik een in memoriam zou willen schrijven. Verbijsterend, natuurlijk. Daarna zag ik de rouwplechtigheid op de televisie. En de dochter van Herman Brood. Die beelden doorkuisten op dat moment het verhaal dat ik in mijn roman wilde vertellen. Die dochter vertelde dat ze het een beetje kon begrijpen waarom haar vader zelfmoord had gepleegd. En toen vroeg ik mij af: zijn haar woorden het resultaat geweest van een doorvoelde emotie van een kind? Of werden ze aangereikt door de vrienden van Herman Brood? Ik vermoedde in mijn artikel het laatste.’’

Nadat het stuk was geplaatst, regende het brieven. ,,Ik kreeg heel persoonlijke reacties van kinderen van zelfmoordenaars. Die konden na jaren nog steeds niet begrijpen waarom hun vader of moeder er een eind aan had gemaakt. En ze worstelden nog steeds met vragen, soms jaren nadien. Toen begreep ik eens te meer de urgentie van het onderwerp dat in mijn nieuwe roman centraal staat.’’

Hoofdfiguur in Zes Sterren is Justus, het neefje van Siem Merkelbach, oprichter van Goedemorgen, een tijdschrift over en vooral voor Nederlandse hotels. Binnen de kortste keren leidt het blad een florerend bestaan. De zaken gaan goed, zeer goed. Maar dan, zo’n acht jaar na oprichting van Goedemorgen, maakt Siem er een eind aan door middel van een overdosis tabletten. En zijn neefje annex zakenpartner staat voor een raadsel. ‘Wat zijn mijn indrukken en ideeën over hem waard?’’, vraagt hij zich af. En ook: ‘Heb je het recht om te zeggen dat je iemand goed hebt gekend als je diens doodsbesluit niet eens hebt opgemerkt?’

Pas daarna begint het eigenlijke verhaal, wanneer Justus besluit wekelijks een psychotherapeut te bezoeken om de feiten op een rijtje te zetten. Evenals de hoofdfiguur in deze roman kan de lezer de puzzel stukje bij beetje op proberen te lossen en dichter bij de waarheid komen. ,,In mijn andere romans is de link naar mijn eigen leven niet groot, maar in Zes sterren wél’’, laat Zwagerman weten. ,,Een aantal jaren geleden heeft mijn vader een zelfmoordpoging gedaan, net zoals de oom in mijn nieuwe roman. Het enige verschil is dat het mijn personage gelukt is om zelfmoord te plegen. Mijn vader bleef leven, omdat hij een half uur voor de definitieve onderkoeling werd gevonden.’’

Is je eigen vader er de oorzaak van geweest om het begrip ‘zelfmoord’ in de roman centraal te stellen?

,,Ik heb niet het onderwerp uitgekozen, maar het onderwerp heeft mij uitgekozen. Het kwam op mijn weg en was dermate ingrijpend dat ik er niet voor kon kiezen om er niét over te schrijven.’’

Is dat geen gelul?

,,Nee, dat vind ik niet. Als zoiets je overkomt, is het dermate ingrijpend dat je het niet zomaar naast je neer kunt leggen. Ik ben het onderwerp aanvankelijk uit de weg gegaan door middel van het schrijven van essays en het geven van colleges over andere onderwerpen. Maar al die tijd merkte ik dat de zelfmoordpoging van mijn vader nadrukkelijk in mijn hoofd aanwezig bleef. Met name de vraag hoe iemand met kinderen tot zoiets in staat is. Het lukte mij dus niet om dit onderwerp als schrijver te negeren. Ik kon het als het ware niet van me afschudden en moest er dus wel iets mee doen.’’

Maar het is toch bekend dat je niets moet hebben van autobiografisch proza?

,,Na mijn vorige roman Chaos en rumoer liep ik met ontzettend veel ideeën rond voor een nieuw boek, maar dit verhaal kwam er op een ruwe manier dus tussen. Door deze gebeurtenis in mijn eigen leven vond ik het schrijven van een roman plotseling een beetje potsierlijk geworden. Voor Zes sterren heb ik mezelf niet uit kunnen wissen, alhoewel ik niet heb gekozen voor het autobiografische. Eerder is het zo dat ik de gebeurtenissen uit mijn eigen leven in dienst van de fictie heb gesteld.’’

Schrijven als een therapie?

,,Nee, ik heb niets van me af willen schrijven, zo zit ik niet in elkaar. Ik schrijf de gebeurtenissen juist naar me toe. En ik kon mijn woede uiten. Het kind van een zelfmoordenaar heeft 67 keer zoveel kans op een jarenlange depressie dan een normaal kind. En de kans dat een kind van een zelfmoordenaar eveneens door middel van zelfmoord om het leven komt is zeventien tot twintig keer groter dan het gemiddelde. Dat zijn de statistieken en die liegen er natuurlijk niet om.’’

Zijn je denkbeelden over het begrip ‘zelfmoord’ door je vader veranderd?

,,Ik was altijd sterk geneigd om de zelfmoord te romantiseren. Maar de werkelijkheid is nu juist dat zelfmoord heel miezerig is, heel vuil, ellendig en ontnuchterend. En dat beeld ben ik nog niet eerder in de Nederlandse literatuur tegengekomen. Verder is het zo dat de nabestaanden levenslang hebben gekregen, om het maar even heel beladen te zeggen. Zeker de kinderen. Je bent niet meer het kind van een vader of een moeder, maar het kind van een zelfmoordenaar. Mijn roman is alleen nog maar een aanzet. Ik denk dat ik over de gevoelens van de nabestaanden nog lang niet uitgeschreven ben.’’

Reacties?

,,Voor het eerst in mijn leven maak ik tijdens en na lezingen hoogst dramatische dingen mee. Nabestaanden van zelfmoordenaars vertellen mij dingen die vaak niet mis zijn. Eind volgende maand stop ik voorlopig met het geven van lezingen. En ik denk dat dat goed is, want de gebeurtenissen hakken er nu soms te zwaar in.’’

In hoeverre past het thema ‘zelfmoord’ bij de andere romans die je tot nu toe hebt geschreven?

In mijn roman De buitenvrouw zegt de hoofdfiguur ergens: ‘Leef zo dood mogelijk, alleen dan is de echte dood beheersbaar en benaderbaar.’ Kennelijk was ik in mijn werk al eerder met zelfmoord bezig. Het verlangen om er niet te zijn. Dat verlangen wordt nu dus zeer letterlijk ingewilligd door die oom. Door mijn nieuwe roman kijk ik plotseling met andere ogen naar mijn oudere werk. Maar goed, ik wist natuurlijk al eerder dat het verlangen om niet aanwezig te zijn mij bepaald niet vreemd is. Ik vind het heel prettig om door middel van het schrijven een onzichtbaarheid te creëren. Als schrijver maak je jezelf in een roman kenbaar, maar tegelijkertijd hul je je in fictie, in fantasie. Ik besef alleen dat ik met Zes sterren daar nu niet meer zo eenvoudig mee weg kom.’’

Toekomstplannen?

,,Ik wil weer een roman schrijven die vol levenslust zit. Dat heb ik al eerder gedaan met met roman Gimmick! uit 1989. Een van de redenen waarom dat boek nog steeds zo goed leest, is de enorme energie. Ik zou graag binnenkort een roman schrijven waarin diezelfde energie terugkeert. De werktitel van mijn volgende boek is op dit moment ‘Met iedereen’. Dat zegt al genoeg.’’

Joost Zwagerman: ‘Zes sterren’. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam. Prijs: 16,95.