Gerrit Krol2

‘Missie Novgorod’ uitgave van Het Drentse Boek

Jongensdromen van Gerrit Krol

In het werk van Gerrit Krol lopen werkelijkheid en fantasie maar al te vaak door elkaar. Veel romans van hem zijn een mengvorm van autobiografie en fictie, waardoor de ik-verteller nooit gelijk kan worden geschakeld met de persoon van de auteur. Krol heeft in zijn verhaal ‘Missie Novgorod’ zijn fantasie meer dan ooit de ruimte gegeven. Het boekje, uitgegeven door Het Drentse Boek en tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Provinciaal Bestuur van Drenthe, laat zich niet lezen als een realistisch verhaal. In ‘Missie Novgorod’ is Krol teruggekeerd naar de denkwereld van de Hollandse schooljongen, wiens hersenspinsels worden bepaald door de boeken die hij leest.

Door Jacob Moerman

Gerrit Krol publiceerde vorig jaar De oudste jongen, een bundel met korte stukken die als geheel een beeld vormen van zijn eigen jonge jaren. Hij deed dit door veelal de plaatsen te beschrijven die herinneringen bij hem opriepen, zoals het ouderlijk huis aan de Korreweg in Groningen, de kerk, de school en het tuintje van de buurman. Op die manier probeerde hij de lezers te verplaatsen naar de sfeer van de jaren veertig en vijftig. Dat Krol hier lang niet altijd in slaagde, heeft alles te maken met de vorm van het boek – De oudste jongen is zeer nadrukkelijk geschreven vanuit het nu, waardoor in het boek een ‘opa-vertelt-over-vroeger-sfeer’ is geslopen. De herinneringen staan dan als het ware de wereld van weleer in de weg, omdat het heden niet kan worden weggewist.

Hoe anders is Krol te werk gegaan in Missie Novgorod, waarin hij eveneens een sfeer van een voorbije tijd heeft opgeroepen. In het verhaal, naar voren gebracht door een alwetende verteller, is het al snel na de eerste pagina duidelijk dat de schrijver door middel van de verbeelding het verleden tot leven heeft willen wekken. De inhoud van het volledige verhaal is dan eigenlijk niet zo belangrijk meer, maar veeleer de beelden die met elkaar dit verleden vorm hebben gegeven.

In Missie Novgorod staat de jongeman Marnix Overdiep centraal, die samen met zijn vriendin en moeder naar Rusland afreist om zijn vader op te halen die zojuist vrij gekomen is uit de gevangenis. Het wordt daarna niet geheel duidelijk waarom de vader ooit door de Russen gevangen is genomen – hij zou na afloop van de oorlog zijn meegenomen uit Duitsland, maar het ‘hoe’ en ‘waarom’ blijft een mysterie. En het is vooral dit mysterie waar het Krol om te doen is geweest, omdat hij zijn lezers heeft weten te verplaatsen in de leefwereld van een schooljongen die gretig is om de wereld te ontdekken, maar van de gebeurtenissen nog maar weinig kan begrijpen.

Marnix Overdiep maakt tijdens zijn reis door Rusland de meest eigenaardige gebeurtenissen mee en langzamerhand wordt het duidelijk wat de oorzaak is. Als jongen las hij allerei avonturenromans, tot verdriet van zijn vader. Die heeft dan ook op een dag een boek van hem afgepakt, met de verwijtende woorden: ‘Een gezonde Hollandse jongen zoekt het avontuur buiten, en niet in de boeken.’ Dat Marnix de raad van zijn vader vervolgens niet heeft opgevolgd, mag blijken uit Missie Novgorod: het verhaal wemelt van de verwijzingen naar jongensboeken waarin heldhaftige daden worden verricht.

De fantasie van Marnix wordt volledig gevoed door de dingen die hij heeft gelezen. Zo kan het gebeuren dat niet hij, maar stripfiguur Dick Bos de vader uit ‘kamer 805’ weet te bevrijden. En zo kan het ook gebeuren dat Marnix even een kort uitstapje maakt naar de Noordpool, om met een spuit de aardas van olie te voorzien zodat de ‘krijsende herrie’ ophoudt. Daarnaast houdt hij, zoals het een Hollansdse jongen betaamt, van dammen en postzegels en wordt hij gefascineerd door strijdgewoel. En, natuurlijk, tegen het einde van het verhaal heeft hij nog even een liefdevolle verhouding met ‘de dochter van de veldmaarschalk’ en reizen ‘de dikke en de dunne’ een stukje mee.

Missie Novgorod is een uitermate smeuïg verhaal, als je tenminste bereid bent om je te laten meevoeren met deze literaire reis van de schrijver. Krol laat de lezers meeduiken in de geest van de schooljongen wiens ontembare fantasieën zowel vermakelijk als ruw kunnen zijn. Dat Marnix tenslotte aan zijn einde komt door middel van invriezing (net zoals het eerste lijk dat hij heeft gezien) moet je maar voor lief nemen; jongensdromen kunnen per slot van rekening ook bikkelhard zijn.

Gerrit Krol: ‘Missie Novgorod’. Uitgeverij Het Drentse Boek, Zuidwolde. Prijs: 19,50.

Gerrit Krol3

'Een autobiografie' van Gerrit Krol: '60 000 uur'

Dossiers, getallen en systemen

Gerrit Krol is vooral bekend als schrijver van tientallen romans, verhalen, essays en gedichten. Minder bekend is dat hij een aanzienlijk deel van zijn leven heeft gesleten in kantoorruimtes van de Shell en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Over deze kant van zijn verleden schreef hij 60 000 uur, dat zeer nadrukkelijk als 'een autobiografie' wordt gepresenteerd. Het is een boek over met name de werking van systemen en de eerste stappen in de wereld van de computers: 'Wat niet is gerapporteerd, is niet gebeurd; wat niet op papier staat bestaat niet.'

Door Jacob Moerman

60 000 uur is niet het eerste boek waarvoor Gerrit Krol uit zijn ervaringen bij de Shell en de NAM heeft geput. Voor zijn werk verbleef hij vaak in het buitenland, waar hij tevens inspiratie opdeed voor een aantal van zijn romans. Het is niet toevallig dat zijn roman In dienst van de 'Koninklijke' uit 1980 gaat over een jongeman die in de 'oil-business' belandt. En een meer recente roman zoals Okoka's Wonderpark uit 1994 speelt zich voor een deel af in een Afrikaans land en is onmiskenbaar geënt op de periode dat Krol werkzaam was in Nigeria.

Daarnaast is het ook duidelijk dat Krol met 60 000 uur niet zijn eerste autobiografisch verslag heeft gepubliceerd. In de meeste van zijn romans verwerkte hij eigen ervaringen. Zijn eerder dit jaar verschenen De oudste jongen bestaat uit een aaneenschakeling van jeugdherinneringen, en het is mij eigenlijk nog steeds een raadsel waarom dit boek als een 'roman' wordt gekenschetst. Zoals het mij ook een raadsel is waarom de woorden 'een autobiografie' de voorkant van 60 000 uur sieren. Gerrit Krol heeft waarschijnlijk met zijn beschrijvingen nu zo dicht mogelijk bij de werkelijke gebeurtenissen willen blijven, maar zijn Spielerei met 'het autobiografische' heeft eigenlijk altijd al zijn werk gekenmerkt.

Maar goed, autobiografisch of niet, het is de vraag of 60 000 uur interessante literatuur heeft opgeleverd. In het boek heeft Krol zijn leven als informaticus beschreven - zijn werk om de administratie van de NAM te automatiseren. Dat heeft veel passages opgeleverd waarin Krol de lezers meevoert naar de wereld van de dossiers, getallen, berekeningen, systemen en lezingen met titels als Computer Aided Operations, Direct Digital Control en The Paperless O ce. Hij schetst een beeld van de uitvinders, de mensen die aan het begin van het computertijdperk een geheel nieuwe wereld ontdekken en met elkaar moeten proberen om het bedrijf aan te passen. Het leven van informaticus eindigt voor Krol met het fabriceren van de zogeheten Data Atlas van de NAM, waarin de 285 activiteiten ('285 zilveren rechthoekjes') worden beschreven. Op een soms zeer minutieuze wijze is Krol ingegaan op zijn werkzaamheden, en dat heeft de leesbaarheid van zijn 'een autobiografie' bepaald niet bevorderd; je moet een rasechte 'bèta zijn, wil je zijn schermutselingen met getallen en systemen nog kunnen volgen.

Daar staat tegenover dat Krol met 60 000 uur eveneens een van zijn andere handelsmerken heeft gebruikt: de relativering. Prachtig zijn zijn beschrijvingen van de gevoelens over de zinloosheid van het kantoorleven. Er klinkt tussen de regels zo nu en dan verbazing door, over al die mensen die zich iedere dag storten op hun drukke werkzaamheden. Alhoewel... druk: 'Er is geen einde aan - wat overigens een typische eigenschap van kantoorwerk is: je bent nooit klaar. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het werk in de buitenlucht: je kan op een bepaald moment een sigaretje opsteken omdat je klaar bent. Zo stond ik ook wel 's in de deur van mijn kamer, om tien uur 's morgens, omdat ik het gevoel had klaar te zijn.'

Daarnaast heeft Krol vooral laten zien dat iemand op kantoor maar al te vaak een zeer eenzaam leven leidt, waarover hij alleen kan communiceren met een aantal vakgenoten. 60 000 uur bestaat dan ook uit aardig wat passages waarin de collega's langs elkaar heen praten of elkaar gewoon niet begrijpen. Dat levert humoristische beschrijvingen op, die soms doen denken aan Voskuils romancyclus Het Bureau. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommigen het kantoorleven willen ontvluchten, om in het buitenland voor het bedrijf Grote Daden te gaan verrichten. Met name aan het begin van zijn loopbaan zag Krol aardig wat delen van de wereld, en vloog hij van lezing naar seminar. Hoe verder, hoe beter. En waarom? 'Wat de bedoeling was van onze ontmoetingen in New York is me nooit helemaal duidelijk geworden.'

Gerrit Krol: '60 000 uur'. Uitgeverij Querido, Amsterdam. Prijs: 27,50.

Josine Marbus

Meisjes tussen fantasie en werkelijkheid

Roman van Josine Marbus

Met haar twee jaar geleden debuutroman ‘Winterkind’ gaf schrijster Josine Marbus een beeld van een meisje dat op de rand van volwassenheid staat. Haar nieuwe roman ‘Oefenmeisjes’ is duidelijk een vervolg. In de drie hoofdstukken die de roman rijk is, worden drie korte, maar heftige periodes in het leven van hoofdfiguur Yvonne van der Plas beschreven. Ze is achtereenvolgens dertien, vijftien en zestien, en telkens wordt ze geconfronteerd met een ingrijpende gebeurtenis. Daarnaast staat evenals in het debuut van Josine Marbus ook in ‘Oefenmeisjes’ het schemergebied tussen werkelijkheid en fantasie centraal.

Door Jacob Moerman

Het is natuurlijk niet toevallig van Josine Marbus uitgerekend meisjes in de puberteit als hoofdfiguren voor haar romans heeft genomen. Haar aandacht gaat vooral uit naar de manier waarop werkelijkheid en fantasie in elkaar over kunnen lopen. En wie is gevoeliger voor de fantasiewereld dan meisjes van pakweg vijftien jaar? Meisjes van deze leeftijd kunnen immers, meer dan wie ook, volledig opgesloten zijn in een eigen wereld.

Misschien geldt de Willeke Alberti van weleer in Nederland nog steeds als het Ultieme Meisje, dat met een onschuldig stemmetje zong over de onzekerheden wat betreft het pad der liefde. Met haar liederen Morgen ben ik de bruid, Spiegelbeeld en Niet zoenen op het zebrapad was ze in de jaren zestig de vleesgeworden onschuld, te ‘groot voor de merels, te klein voor de kerels’. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat enige regels uit haar Spiegelbeeld in deze roman van Marbus worden geciteerd, ook al lijkt het me vervolgens onwaarschijnlijk dat mensen op een camping bij het horen van dit nummer aansluiten voor een polonaise.

De in Oefenmeisjes gepresenteerde wereld is allesbehalve liederlijk. Hoofdfiguur Yvonne van der Plas wordt voortdurend omringd door een vijandige omgeving, waarin haar ouders een centrale rol vervullen. In het tweede hoofdstuk kiest ze ervoor om tijdens een vakantie op een Franse camping te worden ontmaagd door de dwergachtige man die de toeristen van versnaperingen voorziet. Het dramatische vervolg leidt tot een jachtpartij, waarbij de man om het leven komt. Teruggekeerd in Nederland, doen de ouders alsof er niets is gebeurd, maar voor Yvonne liggen de zaken anders. Uit het derde en laatste hoofdstuk blijkt dat Yvonne aan depressies lijdt, niemand haar gevoelens kan begrijpen en de ouders doorgaan met hun hippie-achtige levenswijze. Ook de huisarts kan geen uitsluitsel geven: ‘Hij herkende de slapte in het witte gezicht, geen eetlust en de gezwollen halsklieren. Wat hij niet herkende waren de buien, ze liet zich niet onderzoeken en ze weigerde te thermometer en hij noemde het wartaal die ze spuide.’

Oefenmeisjes lijkt, gezien de samenvatting van het verhaal, weinig nieuws onder de zon te bieden. Pubermeisjes stonden immers wel vaker centraal; je hoeft alleen al te denken aan romans van onder anderen Hermine de Graaf en Manon Uphoff. Maar wat Oefenmeisjes fascinerend maakt, is de wisseling tussen fantasie en werkelijkheid. De beide werelden lijken aanvankelijk strikt te worden gescheiden, maar vloeien langzaam maar zeker in elkaar over. Bovendien weet Marbus op een geslaagde en suggestieve manier beelden op te roepen met weinig middelen. De passage waarin Yvonne door de man wordt ontmaagd is ijzersterk, vooral vanwege het uitblijven van krachttermen en clichés. Tijdens het lezen van de pagina’s daarna, rijst aanvankelijk de vraag of een nachtmerrie of een stukje realiteit wordt beschreven. En wanneer blijkt dat de man daadwerkelijk door de vakantiegasten is opgejaagd en de dood in is gedreven, wordt het vervolg van de roman - waarin Yvonne nauwelijks meer haar bed uit wil komen – aannemelijk gemaakt.

Oefenmeisjes is een fascinerende, korte roman, waarin ons een blik wordt gegund in de leefwereld van een jong meisje. Haar onzekerheden en haar weerzin voor de omgeving worden op de lezer overgebracht en Marbus heeft op een geslaagde manier haar dagdromen en angstvisioenen in het verhaal weten te verwerken. En dan neem je een lelijke zin, waarin bovendien de woorden ‘zij’ en ‘haar’ op een onjuiste manier worden verwisseld, graag voor lief: ‘Dat hij Marloes leuk vond, leuker dan zij, daarvan dacht ze dat ze dat niet prettig vond.’

Josine Marbus: ‘Oefenmeisjes’. Uitgeverij Veen, Amsterdam. Prijs: 24,90.

Vonne van der Meer

Nieuwe roman van Vonne van der Meer

Een huisje op Vlieland

Vonne van der Meer publiceerde twee jaar geleden de opmerkelijke roman ‘Eilandgasten’, waarin een zomerhuisje op Vlieland de rode draad vormt voor een reeks verhalen. De tijdelijke bewoners kennen elkaar niet, maar komen zonder het te weten met elkaar in aanraking. Immers: ze slapen in hetzelfde bed en eten aan dezelfde tafel. Maar bovenal: ze schrijven zo nu en dan iets in het gastenboek en vormen één vertelling met verschillende stemmen. Van der Meer schreef onder de titel ‘De avondboot’ een vervolg op deze roman. Over een treurende weduwnaar tot een verwarde puber.

De vorm in zowel Eilandgasten als De avondboot is uitermate doeltreffend. Door het zomerhuisje Duinroos feitelijk als ‘hoofdfiguur’ te kiezen, heeft Vonne van der Meer een mogelijkheid gevonden om een meerstemmige roman te schrijven zonder geforceerd over te komen. Het resultaat is dat ook haar nieuwe roman nergens verveelt en de lezer nieuwsgierig blijft houden - door de notities in het gastenboek lopen sommige verhalen in elkaar over en krijg je pas pagina’s verder antwoorden op vragen die zijn opgeroepen.

 Een van de vertellers is de schoonmaakster die twee keer per jaar het huisje onder handen neemt. Ook zij neemt aan het begin van deze roman het gastenboek ter hand, en krijgt op die manier te weten wat door het hoofd heeft gespookt van een vorige bewoonster. ‘Ik vond haar al zo mager, vel over been’, denkt ze nog. En dan leest ze wat de vrouw heeft geschreven: ‘(…) misschien valt er nog iets aan te doen, is het niet uitgezaaid en zit ik hier volgend jaar weer.’

 Nee, deze bewoonster keert niet terug. In haar plaats arriveert in De avondboot de echtgenoot, die in Duinroos mijmert over het voorbije huwelijk. De man beseft dat hij zijn vrouw tekort heeft gedaan en wil zijn falen op de een of andere manier recht zetten. Hij is naar het eiland gegaan om in feite in de voetsporen van zijn eigen vrouw te treden. Ze wilde tijdens haar laatste zomer een week alleen zijn, en de man probeert haar alsnog te begrijpen. En dan licht Van der Meer een tipje van de sluier over dit huwelijk, dat niet echt geslaagd is geweest. En hoe ontroerend is het besef van de man, die zijn voorstellingsvermogen vervolgens omzet door zich in de kleding van zijn gestorven vrouw te steken.

 Het zijn geen lichte onderwerpen die Van der Meer in De avondboot naar voren brengt. Maar het is haar kunst dat de roman nergens zwaar of larmoyant wordt – haar stijl heeft een eigenaardige lichtheid die door de trefzekere manier van formuleren (het is opvalend dat de schrijfster bijna nergens gebruik maakt van bijvoeglijke naamwoorden) de menselijke kanten van de personages belicht. Om die reden word je door Van der Meer meegevoerd langs de gedachtengangen van haar romanfiguren en voel je met ze mee.

 En dat is knap, razend knap, vooral omdat de gedachtengangen van sommige personages, zacht uitgedrukt, nogal eigenaardig zijn. Zo is daar de moeder die vermoedt dat haar oudste zoon homoseksueel is. Ze heeft vrede met die gedachte, maar raakt volledig in paniek wanneer ze ziet dat haar ‘jongen’ op een parkeerplaats een paar bankbiljetten van een volwassen man krijgt toegeschoven. Het paniekgevoel van de vrouw wordt door Van der Meer volledig overtuigend beschreven – en op de lezer overgebracht.

 Daarnaast geeft deze roman een fraai beeld van het ‘eilandgevoel’, waarover ook andere auteurs (Jan Jacob Slauerhoff, Boudewijn Büch en J. Bernlef) eerder hun licht lieten schijnen. Van der Meer heeft dit gevoel evenwel nergens expliciet weergegeven. Alleen tussen de regels krijg je er iets over te lezen en wordt het begrijpelijk waarom de gasten niet helemaal in hun normale doen zijn. Een van de bewoonsters denkt: ‘Wilden de eigenaars van Duinroos dat de gasten de tijd vergaten? Bestond er zoiets als eilandtijd, een dagindeling die bepaald werd door aankomst en vertrek van de veerboot, het weer, en hadden ze zich daar maar aan over te geven?’ Of neem de schoonmaakster, die aan het begin van de roman beseft: ‘Als ik in dit huis ben ga ik vanzelf praten. Alsof iets van al die mensen nog in de kamers hangt, een receptie van vroegere gasten.’

 Met De avondboot heeft Vonne van der Meer weer een voortreffelijke roman geschreven, die uitmunt in subtiliteit en treffende beelden. Wat mij betreft is ze de meest begaafde Nederlandse schrijfster van dit moment.

Vonne van der Meer: ‘De avondboot’. Uitgeverij Contact, Amsterdam. Prijs: 32,90.

Marcel Möring

Nieuwe novelle van Marcel Möring: ‘Modelvliegen’

Het geploeter van alledag

In het literaire werk van Marcel Möring speelt de zoektocht naar de joodse identiteit een grote rol. Zo ook in zijn deze week te verschijnen novelle ‘Modelvliegen’. De ik-verteller besluit om in de voetsporen van zijn vader te treden en van het bouwen van modelvliegtuigjes zijn werk te maken. Op de achtergrond van het verhaal zijn de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog als een nachtmerrie-achtige schaduw aanwezig.

Door Jacob Moerman

Van de Amerikaanse schrijfster Pearl Abraham verscheen vorig jaar Een sterke vrouw, wie zal haar vinden, een door haar samengeteld boek met verhalen en fragmenten uit romans en boeken over joodse heldinnen. In de bloemlezing heeft ze laten zien hoe het beeld van de joodse vrouw door de eeuwen heen in romans en boeken aan verandering onderhevig is geweest. Maar hoe zit het met de joodse mannelijke personages? Abraham geeft aan dat pas in het begin van de twintigste eeuw, toen joodse schrijvers als Mendele Mocher Seforim en Isaac Leib Peretz romans begonnen te schrijven, zij authentieke individuele trekken begonnen te krijgen. Maar tegelijkertijd kan nog steeds worden gesproken van een prototype.

De hoofdfiguur in bijvoorbeeld de roman De bediende van de Amerikaan Bernard Malamud is Moris Bober, een uitgsproken voorbeeld van de jood als het eeuwige slachtoffer. Hij is bijna bankroet en moet voortdurend strijden om het hoofd boven water te houden. Nadat hij is overleden, besluit de kruimeldief Frankie Alpine zijn plaats in te nemen en raakt deze man van Italiaanse origine al snel in de ban van de joodse tradities. En daarmee wordt De bediende vooral een roman over zelfontzegging en zelfopoffering.

Er zijn veel overeenkomsten aan te wijzen tussen deze roman van Malamud uit 1957 en de novelle Modelvliegen van Marcel Möring. Hierin haalt een ik-verteller herinneringen op aan zijn beide ouders. Zijn vader is onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog vanuit Nederland naar Engeland gevlucht, niet wetende dat hij als jood op die manier aan de dood zal ontsnappen. Tijdens de oorlog vindt hij werk als vlieger, maar komt op een jammerlijke manier ten val. En dan wordt hij verzorgd door een vrouw die zich onmiddellijk tot hem aangetrokken voelt. Haar zorg resulteert uiteindelijk in een huwelijk.

Na de oorlog volgt voor de beide ouders een bestaan van twaalf ongelukken en dertien ambachten. Over de vader weet ik ‘ik’ te melden: ‘Uiteindelijk werd hij een soort uitvinder die steeds een tijdje bij een bedrijf werkte, daar een machine bedacht waardoor hij zelf overbodig werd en dan weer op zoek ging naar een ander bedrijf waar hij zijn eigen ontslag kon bewerkstelligen.’ De moeder heeft na de geboorte van de verteller haar baan als verpleegster opgegeven, maar besluit door de eigenaardige carrière van haar man weer aan de slag te gaan. Ook zij blijkt niet in staat vast werk te vinden, totdat de zoon op het idee komt om met het bouwen van modelvliegtuigen wat bij te verdienen. ‘Het was het plan dat ons moest redden.’

Redden waarvan? Om deze vraag draait het feitelijk in deze novelle van Möring. Langzaam maar zeker wordt het duidelijk dat de vader een trauma heeft te verwerken; kort na het einde van de oorlog probeert hij uit te zoeken of zijn beide ouders nog in leven zijn. En dan krijgt hij van een wildvreemde te horen: ‘Als uw ouders, als zoveel anderen, naar het oosten zijn getransporteerd kan het een hele tijd duren voor zij in de lijsten opduiken.’

De ‘ik’ beziet zijn vader dan ook als een moeilijk te doorgronden man, die in de maatschappij zijn draai niet heeft kunnen vinden. Een uitzondering vormt de periode waarin het gezin bezig was met het bouwen van de vliegtuigjes: ‘Ik herinner mij die tijd met dezelfde intense levendigheid als mijn vader zijn periode als sproeivlieger.’ Het was een gelukkige periode, die helaas ten einde kwam met de woorden van de vader: ‘We kunnen niet eeuwig modelvliegen, jongen.’

Modelvliegen is een novelle met een moeilijk te doorgronden verhaal en waarin de verschillende hoofdstukken op het eerste gezicht als los zand aan elkaar lijken te hangen. Bij nadere lezing blijkt dat de traumatische ervaringen van de vader als een schaduw over het gezin hangen. Maar tegelijkertijd heeft Möring van deze vader een prototype van de hard werkende jood gemaakt die, net zoals de hoofdfiguur in De bediende van Malamud, voortdurend moet strijden om het hoofd boven water te houden. Dat verklaart dat de ‘ik dierbare herinneringen heeft aan de tijd dat het gezin zich stortte op het bouwen van de modelvliegtuigjes en hij uiteindelijk heeft besloten om daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien: ‘Ik richtte mij op, mijn wangen nat van het lachen, en terwijl ik naar mijn nog nagrijnzende vader staarde herinnerde ik mij ineens wat mijn moeder had gezegd, dat aan alles een einde komt, en daar, op dat moment, verdween plotseling het gevoel dat ik de afgelopen weken had gehad, dat we in een bel leefden, dat we op een plek in de tijd waren beland waarin we beschermd en beschut waren, onbereikbaar voor de zorgen en het geploeter van alledag.’

Marcel Möring: ‘Modelvliegen’. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam. Prijs: 27,50.

Erwin Mortier

Roman van Erwin Mortier: ‘Mijn tweede huid’

‘Gewoon meegaan met de stroom’

Vanaf de verschijning van zijn roman ‘Marcel’ is de Vlaamse schrijver Erwin Mortier geen onbekende meer binnen de Nederlandstalige letteren. Zijn debuut werd bekroond met veel prijzen (onder meer de Gerard Walschapprijs, het Gouden Ezelsoor en de Van der Hoogtprijs), kreeg zo ongeveer een staande ovatie van het Nederlandse recensentendom en belandde op de nominatielijst van de Libris Literatuur Prijs. Deze week verscheen zijn tweede roman, onder de titel ‘Mijn tweede huid’.

Door Jacob Moerman

Ik moet eerlijk bekennen dat de inhoudelijke kant van Mijn tweede huid van Erwin Mortier mij bepaald niet doet opveren. Over het gebied tussen jeugd en volwassenheid gaat het boek, over de schooltijd en de eerste natte droom. Over de belevenissen van ‘jongetjes’, die in de jaren zeventig hun avonturen moeten situeren tussen sloten en nieuwbouw. Over de meesters op school die, natuurlijk, geheel in de lijn van de Vlaamse samenleving voortdurend zwaaien met de bijbel, waartegen de hoofdfiguur zich al snel af begint te zetten. En als Mijn tweede huid - zie titel - ook nog eens gaat over de ontdekking van de homosekualiteit en uiteindelijk over een heuse ‘coming out’, is de conclusie gerechtvaardigd dat deze roman weinig nieuws onder de zon te bieden heeft. Immers: het wemelt in de Nederlandstalige literatuur van romans over ontluikende homoseksuele gevoelens, godstienstleraren en eerste natte dromen.

Waarom ik dan tóch heb genoten van Mijn tweede huid? Het antwoord ligt verscholen in het volgende citaat: ‘Ik schoof mijn handen onder mijn kussen. De wereld viel stil. Mijn ogen werden zwaar. Alleen de wind, suizelend in de kruin van de beukenboom, maakte nog gerucht. De nacht liep vol met alle woorden die ik nog niet kende, met alles wat nog altijd vluchtig aan mijn vingers ontkwam.’ Het citaat is afkomstig uit het einde van de het eerste hoofdstuk, wanneer de hoofdfiguur ongeveer een jaar oud is en nauwelijks kan praten. En je weet: hier is een rasverteller aan het woord.

De ‘ik’ in het citaat is de hoofdfiguur Anton, het enige kind binnen een gezin dat op het platteland woont, in de omgeving van het Vlaamse stadje Brugge. Zijn babyjaren worden getekend door een onnoembaar geluk, als resultaat van de intimiteit van vader en moeder, tantes en ooms. Aan de geborgenheid komt plotseling een einde wanneer de iets oudere neef Roland ten tonele verschijnt. Hij wordt in het gezin van Anton opgenomen, omdat zijn moeder last heeft van haar ‘zenuwen’. De hoofdfiguur beziet deze Roland vervolgens met zowel afgunst als nieuwsgierigheid. Is hij misschien de persoon die Anton iets duidelijk kan maken over de dingen die nog niet te bevatten zijn?

Mijn tweede huid is opgebouwd uit drie delen, waarin Anton achtereenvolgens naar voren komt als eenjarige baby, opstandige puber van rond de dertien en jong-volwassene van negentien. Het vertelstandpunt bestaat uit een kruising tussen het perspectief van een ‘ik’ en dat van een alwetende verteller – een werkwijze die vooral in het eerste hoofdstuk effectief is. Als lezer krijg je de mogelijkheid om zo nu en dan mee te voelen en te kijken met een eenjarige, ook al is dat natuurlijk niet mogelijk. De schrijver heeft deze baby de woorden gegeven die hem nog ontbreken, en het resultaat is uitermate tragi-komisch. Zo komt Anton door toedoen van Roland in aanraking met een oom die stil en alleen in een kamertje ligt, zonder te beseffen dat hij voor de eerste keer een lijk aanschouwt. Maar Mortier heeft nog iets ánders in dit eerste hoofdstuk gedaan, namelijk de spanning tussen de beide jongens geïntroduceerd. De kleine Anton kijkt naar Roland om dingen te kunnen leren, maar tegelijkertijd speelt op de achtergrond al een soort afgunst een rol. En die afgunst wordt in de volgende hoofdstukken versterkt, als blijkt dat Anton een tobber is en Roland heel wat gemakkelijker in het leven staat: ‘Hij ademde het bestaan werktuiglijk in en blies het weer uit’.

De opstandigheid van Anton wordt gevoed in de school waar hij als twaalfjarige terecht komt, waar de godsdienstleraar naar de naam ‘Vaneenooghe’ luistert en die bestaat uit ‘een nonchalante opeenstapeling van grote schoenendozen, ascetisch witgeverfd, met kille raamkozijnen.’ En de jongen beseft al snel: ‘Geen tuchtschool kon dat aroma overtreffen om me in te prenten dat ik vanaf nu een kuddedier was’. Anton doet, in tegenstelling tot zijn neef Roland, niet mee met de andere scholieren. De enige jongen met wie hij omgaat is Willem, en tussen beiden ontstaat al snel een band die wordt gedomineerd door ontluikende seksuele gevoelens en pas in het laatste hoofdstuk een plaats krijgt.

In het laatste hoofdstuk heeft Anton zijn opstandigheid vaarwel gezegd en is hij tot de inzichten gekomen waarmee hij als puber worstelde. Die inzichten bereiken een hoogtepunt wanneer zijn vader voordoet hoe een man zich ‘proper scheren’ moet: ‘Gewoon meegaan met de stroom. De lijn van uw wezen volgen. Dan zult ge u niet rap snijden.’ En het zijn dergelijke details die deze roman ver doet uitstijgen boven het gemiddelde.

Erwin Mortier: ‘Mijn tweede huid’. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam. Prijs: 36,50.

Harry Mulisch

Nieuwe roman van Harry Mulisch over Hitler en Eva Braun

Het ‘net van de fictie’

Wat bespraken Adolf Hitler en Eva Braun in 1945 in hun Berlijnse bunker, een paar uur voor hun dood? Het is deze vraag die Harry Mulisch bezig moet hebben gehouden toen hij het idee bedacht voor zijn nieuwe roman ‘Siegfried’. Evenals in veel van zijn vorige romans heeft Mulisch in ‘Siegfried’ een hoog literair spel gespeeld, door de werkelijkheid om te buigen naar zijn eigen wetmatigheden van de fictie. Maar misschien wel door de beladenheid van zijn onderwerp is hij deze keer te ver doorgeslagen. Deze ‘nieuwe Mulisch’ is vanaf morgen te koop.

Natuurlijk, over Adolf Hitler is al veel, zeer veel geschreven. ‘Er zijn intussen honderdduizend studies aan hem gewijd’, laat de hoofdfiguur Rudolf Herter aan het begin van de roman weten. En hij gaat verder: ‘(…) als het niet meer is: politieke, historische, economische, psychologische, psychiatrische, sociologische, theologische, occulte en weet ik wat allemaal nog meer, van alle kanten is hij omsingeld en onderzocht, er is een rij boeken over hem verschenen van hier tot Stefansdom, meer dan over wie dan ook, maar wij zijn er geen steek mee opgeschoten.’ Toe maar. Deze Herter is een Nederlandse schrijver. En hij besluit zijn betoog met: ‘Misschien is fictie het net waarin hij gevangen kan worden.’

 De roman begint tegen het einde van de vorige eeuw, wanneer Herter naar Wenen afreist, voor het geven van een lezing en een interview voor de Oostenrijkse televisie. Van deze Herter heeft Mulisch onomwonden zijn alter ego gemaakt, getuige bijvoorbeeld de beschrijving van zijn uiterlijk: ‘Het volle haar rondom zijn scherpe gezicht sloeg als vlammen uit zijn hoofd, maar tegelijk was het zo wit als het schuim van de branding.’ Herter schreef al op jonge leeftijd zijn debuut De Vogelverschrikker (lees: Archibald Strohalm) en is vooral bekend geworden met zijn magnum opus De Uitvinding van de Liefde (lees: De ontdekking van de hemel). Hij heeft evenwel één grote wens die maar steeds niet kan worden gerealiseerd: ‘Onafgebroken was hij in zijn literaire laboratorium op zoek naar een gefantaseerde proefopstelling, waarin hij Hitler kon plaatsen om door te dringen tot zijn structuur, en het verontrustte hem dat hij niet meteen wist hoe hij het moest aanpakken.’ En even later: ‘Het zou toch mooi zijn als bij het afstoten van de twintigste eeuw het laatste woord over hem gesproken kon worden, als een soort Endlösung der Hitlerfrage.’

 De lezers zijn getuige van zijn gedachtengangen over de aanpak van deze ‘Hitlerroman’ in zijn Weense hotelkamer, maar de schrijver belandt op een dood spoor. Vervolgens gebeurt het wonderlijke: na afloop van zijn lezing stapt een bejaard Oostenrijks echtpaar op hem af voor het maken van een afspraak. Die wordt gemaakt, waarna de schrijver hun verhaal krijgt te horen. En dat liegt er niet om; zij verklappen hem het geheim dat ze hun hele leven met zich mee hebben gedragen - het ware verhaal over Adolf Hitler en Eva Braun.

 Mulisch heeft natuurlijk op een geraffineerde manier een literair spel gespeeld. Herter zit gevangen in zijn ‘literaire laboratorium’, maar vindt uiteindelijk zijn stof voor de ‘Hitlerroman’ in de werkelijkheid. En hij wil de lezers vervolgens doen geloven dat het verhaal niet uit zijn duim is gezogen, maar op de werkelijkheid is gebaseerd.

 De geschiedenis van het Oostenrijkse echtpaar is aanvankelijk meeslepend, vooral omdat het naar voren wordt gebracht in de vorm van een gesprek en Herter, evenals de lezer, steeds nieuwsgieriger wordt naar het vervolg. Het is aannemelijk dat het echtpaar in de huishouding heeft gewerkt in Hitlers buitenverblijf Berghof. Maar gaandeweg wordt het verhaal ongeloofwaardiger en werd ik mij als lezer er meer en meer van bewust in de fantasiekoker van Mulisch te zijn aangekomen. En op dat moment is een roman eigenlijk mislukt en de fictie uitgewerkt. Daarnaast heeft Mulisch Hitler niet ‘gevangen in een net’, maar een verhaaltje verzonnen, compleet met een spanningsboog en een plot. En dan wordt het plotseling irritant wat Herter heeft gezegd met betrekking tot de studies over Hitler, dat ‘wij’ er ‘geen steek’ mee zijn opgeschoten. Bovendien is het storend dat Mulisch zijn ‘onderwerp’ maar al te vaak op een rationele manier heeft benaderd en verklaringen heeft proberen te geven voor Hitlers gedragingen.

 Het is de Hitler geworden door de ogen van Mulisch.

Harry Mulisch: ‘Siegfried’. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam. Prijs: 39,90.